Een waardevolle les

Sinds mijn bezoek in april 2008 aan Brugge bezorgt de priester - schrijver Guido Gezelle (1830 - 1899) mij een merkwaardige rust.

Op het kleinseminarie bij de paters Oblaten van de Onbevlekte Maagd Maria te Valkenburg in Zuid - Limburg, jaren zestig van de vorige eeuw, hoor ik tijdens een les Nederlands terloops over Guido Gezelle.
Mijn interesse in deze priester is gewekt en ik doe navraag bij de boekenbeheerder. Die deelt mee dat geschriften over Gezelle zijn uitgeleend.
Ik moet later nog maar eens terug komen, vraag niet verder en ben al blij met het nieuwste verhaal van Arendsoog.
De gedachten aan Gezelle blijven nog wel even hangen maar in de strijd om mij te handhaven en te overleven verdwijnt hij uit gedachten en zicht.

Kennismakend met de biografie van Guido Gezelle van Michel van der Plas, mei 2008, komt hetgeen mij interesseerde weer terug vooral de vraag wat bidden is.
Nog niet zo lang geleden stelde ik mij wederom die vraag en dacht aan hetgeen ik toen geschreven heb. Hieronder volgt een summiere weergave.
 
1961, 1962 etcetera

Paters en andere kloosterlingen trekken mijn aandacht. Vooral als ze aan het brevieren zijn. Vaak lopend maar ook wel zittend. Zij geven de indruk zich in de alomvattende wereld van God met Zijn oneindige liefde te bevinden. Een begerenswaardige toestand van geluk en tevredenheid. Het maakt nieuwsgierig.

Zo zie ik een pater vaak brevierend in de studiezaal, hij loopt heen en weer tussen de studie - bureautjes met een houding van 'Stoor me niet, ik ben in gesprek met God!'. De pater maakt me daarmee bang hem iets te vragen. Worstelend met dit gevoel doe ik toch een beroep op hem, ik moet mijn huiswerk Latijn kunnen doen. Vanuit zijn brevier, opkijkend naar het plafond, moet hij, denk ik, ook mijn opgeheven arm zien. Ik vergis me, hij negeert me. Ik houd echter vol, hij kan me niet ontlopen, staat even later naast me en vraagt geïrriteerd wat mijn probleem is. Verbazing over man's gedrag heeft mij in de greep. In verwarring vraag ik hem, ongewild, iets heel onbenulligs. Hij geeft mij fluisterend antwoord en laat fijntjes weten dat ik in het vervolg mijn vragen tijdens de lessen moet stellen. Hierna gaat hij verder met brevieren.

Op de cour zie ik een jonge pater. Hij houdt toezicht en breviert. Echte rust straalt hij niet uit. Hij geeft de indruk geen contact met God te kunnen leggen en komt onzeker over.

Weer anders zie ik een jonge pater het brevier hanteren. Hij heeft iets innemends en open. Het lijkt wel of deze kloosterling zonder noemenswaardige problemen van de ene wereld weer de andere instapt en omgekeerd. Hij heeft mij met enthousiasme en overtuiging verteld over de route die hij van jongs af naar het priesterschap heeft afgelegd. Zijn godsdienstleer vergeet ik niet omdat hij als enige pater op Ravensbos de moed heeft, in klassikaal verband maar ook daarbuiten, het bestaan van God te bespreken. Met hem is godsdienstleer een uitdaging. Ik kan de stelling innemen dat God niet bestaat, zonder dat ik daarvoor gestraft word.

Brevierende kloosterlingen zoals meerdere paters, laten zien, dat zij absoluut niet gestoord willen worden. Deze kloosterlingen boezemen me ontzag in, houden me op afstand, maken me bang en geven de indruk dat ze op een andere wereld vertoeven.

Weer anderen paters stralen tijdens het brevieren iets zachts, creatiefs, ludieks uit. Hun doen en laten vind ik aandoenlijk.

Van de enkele frater op Ravensbos valt mij op dat hij tijdens brevieren zichtbaar zijn best doet met het bovennatuurlijke contact te willen leggen en vast te houden. Hij geeft er duidelijk blijk van hierbij niet gestoord te willen worden.

Het brevieren laat zich zien als een bijzondere wijze van bidden, waarvan ik naar de inhoud slechts kan raden.
Ik vind dat daarover gesproken moet worden, alleen dat doen de paters niet.

Ook door de viering van de ochtendmis op het hoofdaltaar in de kapel wordt mijn belangstelling voor bidden vastgehouden. Ik zie en ervaar een mis als een theaterstuk met bidsessies in verschillende bedrijven. Het is een dagelijks terugkerende gezamenlijke kloosteractiviteit op een vast tijdstip. Maar het is voor mij volstrekt onduidelijk wat de dienstdoende priester aan het altaar uitvoert.
Vele paters vieren meestal iets later hun eigen mis op een zij of achter altaar.
Het gaat dan om ongeveer 10 vieringen waarvoor ook misdienaars nodig zijn. Ik heb geen bijzondere interesse in mis dienen maar er zitten voordelen aan zoals ontlopen van corvee, ander ontbijt, geen studie voor aanvang van de lessen en onverwachte belevenissen.
Na verloop van tijd begint het mij op te vallen dat steeds weer dezelfde jongens missen dienen. Ik vraag eens na hoe dat gaat en krijg het antwoord dat een pater op rooster misdienaars toewijst. Ik meld me aan. Slechts een enkele keer word ik gevraagd.
Meerdere paters steken hun voorkeur voor bepaalde misdienaars niet onder stoelen of banken en regelen zelf welke jongens hen zullen helpen.

Als een lawine storten heel veel betekenisvolle weergaven van de biografie van Guido Gazelle over mij heen. Een meer dan aanbevelenswaardig boek.

Chris van der Linden
Duivendrecht, mei 2008