Hillesum, Etty
Het verstoorde leven - Dagboek van Etty Hillesum, 1941-1943


Ik wist al wat langer van het bestaan van dit boek toen ik plots in "Over en Weer" van maart 2006 een positief redactioneel stukje van de oude Wim Cartens OMI over dit boek zag, wat later is geplaatst op de website van "de vrije culturele ruimte".


Toen ik het in augustus 2007 op de boekenkraam in Borne zag liggen, was het snel van mij, al zou het nog een kleine twee maanden duren voordat ik het daadwerkelijk zou lezen. Inmiddels staat een uitvoerig commentaar van Jan Sterenborg op genoemde website.

Aan hun inzichten heb ik weinig toe te voegen. Wat de schrijfster als mens kenmerkt, is dat zij zichzelf niet spaart (feilloos analyseert zij ook zichzelf) en wat haar 'heilig' maakt, moge blijken uit navolgende alinea.

'Zó leven dus de mensen. Ze gebruiken de ander om zichzelf van iets te overtuigen waaraan ze in hun hart niet geloven'. Zo overweegt Hillesum als ze vastbesloten is iemand het antwoord te laten geven dat ze graag wil horen.
Het dagboek eindigt met de woorden: 'Men zou een pleister op vele wonden willen zijn'. In één van haar brieven schrijft ze dat mensen niet willen erkennen dat men op zeker moment niets meer kan 'doen, alleen nog maar zijn en aanvaarden. En met dat aanvaarden ben ik al heel lang begonnen, maar men mag dat alleen voor zichzelf en niet voor anderen'. '... de meesten kunnen niet hun eigen lot dragen en laden het op de schouders van anderen. En daaronder zou men kunnen bezwijken, heus niet onder z'n eigen lot'. In een andere brief (zij zit dan inmiddels in kamp Westerbork): 'De meesten zijn hier veel armer dan men zou behoeven te zijn, omdat men het verlangen naar vrienden en familie op de verliespost van het leven boekt, terwijl toch eigenlijk het feit dat een hart zozeer in staat is om te verlangen en lief te hebben, tot de kostbare goederen gerekend moet worden'. Een fraai inzicht, van een gemiddeld mens wel veel gevraagd.

Als je als lezer nadenkt over dit dagboek, dringt de vergelijking met Het achterhuis van Anne Frank zich op. Ik herinner me dat boek uit mijn jeugd, las het als tiener in de jaren 60, kocht het (alsnog) en herlas het in 1976. Dit boek van het veertienjarige tienermeisje sprak zeer tot de verbeelding. We hoorden in die tijd, mijn tienertijd, veel over de oorlog, wat spannend was en het lezen van dit boek werd sowieso gestimuleerd. Ik meen dat het vader Otto Frank geweest is die heeft bevorderd dat dit boek werd gepubliceerd, wel gemanipuleerd hier en daar. Enfin, dat doet er niet toe.
Het dagboek van Etty Hillesum is vergelijkbaar, al is dat beperkt. Beide dagboeken gaan over circa twee jaren van de oorlog, voor een deel dezelfde periode. Beide schrijfsters zijn joods. Anne Frank is een tiener, een kind, weliswaar meer volwassen dan bij die leeftijd past. Dat is althans mijn herinnering. Etty Hillesum is een volwassen, en rijpe vrouw, intellectueel en spiritueel. Getuige wat zij schrijft is zij rijper en (ook al) meer volwassen dan bij haar leeftijd past. Dat is mijn indruk. Ik bedenk dat Oscar Wilde schreef: 'Most people are other people'. Zie mijn boek Koken op z'n Frans - Een eetleesboek. Ik vraag mij dan ook in gemoede af hoe zo'n betrekkelijk jonge vrouw zulke wijsheden kan debiteren als zij doet, indrukwekkend, zeker. Heeft zij haar opinies, haar politieke en filosofische ideeën niet ontleend aan anderen? Het kan bijna niet anders. Dat bedoel ik - anders dan Oscar Wilde - niet misprijzend.

Enfin, nu iets meer over haar boek, waarin ik zo nu en dan mijn bewondering niet onder stoelen of banken zal steken.

'Etty Hillesum beschrijft in haar dagboek zichzelf, maar evengoed de menselijke mogelijkheden van iedereen, op ieder willekeurig tijdstip', aldus de uitgever. Ik vind het werkelijk ongelooflijk dat en wat deze jonge dame schrijft op zo'n jonge leeftijd. Zoveel wijsheid en inzicht op een leeftijd van 27 jaar. Hoe is het mogelijk; en zo goed, zo literair geschreven bovendien? Een voorbeeld: 'Maar later waren er weer die verrukkelijke menselijke ogen, die vanuit grauwe diepten peilend rustten in mij, ogen die ik graag had willen omhelzen'. Nog een voorbeeld. Zij formuleert de kritiek op een charismatische man (S., wat staat voor de Duitser Spier, tot wie de auteur een wel heel bijzondere relatie zal krijgen), die een lezing verzorgt en in de pauze, in het voorbij gaan, wat woorden wisselt met een jong meisje met een smal, breekbaar, niet helemaal gezond gezichtje. Het meisje 'gaf hem een glimlach, zo vol overgave, zo uit het diepst van haar ziel, zo intens, dat het me haast pijn deed. Er kwam een vaag ontevreden gevoel bij me op, de vraag of dit nu helemaal in de haak was, een gevoel: die man steelt de glimlach van dat jonge meisje, al dat gevoel dat er van dat kind naar hem uitging, ontrooft hij aan een ander, aan een man die later van haar zal zijn. Het is eigenlijk gemeen en niet eerlijk en hij is een gevaarlijk man'. De auteur gaat bij deze man in therapie, wat haar enorm helpt, en zegt over zichzelf: 'ik lijk flink en doe alles alleen, maar ik zou me zo verschrikkelijk graag uitleveren'.
Over haat, ongedefinieerde haat, schrijft zij: 'Het is een ziekte van de ziel'.
De auteur beschrijft het inzicht dat zij bij een zelfanalyse opdoet. Zij ontdekt dat ze alles wil bezitten, wat tot een verandering leidt: 'En nu ik niets meer wil bezitten en vrij ben, nu bezit ik alles, nu is de innerlijke rijkdom onmetelijk'.
Hillesum is verknocht aan Rilke. Zij geeft een bijvoorbeeld als ze beseft dat de psycholoog S. haar rijker heeft gemaakt, maar ook een wond heeft toegebracht. Ondanks intimiteit die ze met S. beleeft, blijft hij vreemd. Die stemming doet haar denken aan: 'Und hörte fremd einen Freund sagen:  'Ich bin bei dir'.
Over 'iedere dag voor het begin van het werk een half uurtje 'luisteren naar wat er binnen in me zit' over meditatie: "Een stil half uur in jezelf. Het is niet genoeg alleen maar je armen en benen en alle andere spieren te bewegen 's morgens in de badkamer. De mens is lichaam en geest. En zo'n half uur gymnastiek en een half uur "meditatie" kunnen samen een breed fundament van geconcentreerdheid leggen voor de hele dag'.
'Het moet verschrikkelijk zijn om heel mooi te zijn, je komt dan niet aan je innerlijk toe, daar je dan teveel in beslag genomen bent door het verblindende uiterlijk'.
Een wijsheid waar heel veel mensen wat van kunnen leren: 'Het leven moet steeds de oerbron blijven, nooit een ander mens. Veel mensen, vrouwen vooral, putten uit hem hun kracht, in plaats van regelrecht uit het leven, hij is hun bron en niet het leven. Dat is zo verdraaid en onnatuurlijk als het maar kan'.
Hillesum is niet vies van mannen, bedenkt niettemin: 'Is het die verdomde onhygiënische traditie dat, wanneer twee mensen van verschillende sekse in nauw contact met elkaar omgaan, ze op een gegeven moment menen dat ze elkaar ook lichamelijk te lijf moeten? Ik heb dat heel sterk in me. Ik zoek in een man altijd direct de seksuele mogelijkheden met betrekking tot mezelf'.
'Een mens weet niet veel van zichzelf'.
Hillesum meent dat ze het beetje zinnelijkheid dat ze heeft, wil projecteren op een heel leven en daarmee het zinnelijke overschat: 'omdat ik wil dat het beetje lichamelijke warmte, dat twee mensen af en toe bij elkaar zoeken ver boven zijn gewone betekenis wordt uitgeheven door krachtspreuken als: ik heb je eeuwig lief. Je moet de dingen nu eenmaal laten zijn voor wat ze zijn en ze niet tot onmogelijke hoogte willen opschroeven en wanneer je ze laat voor wat ze werkelijk zijn, dan eerst ontplooien ze hun werkelijke waarde. Wanneer je uitgaat van iets absoluuts dat toch eigenlijk niet bestaat en dat je niet wilt, dan kom je er niet toe het leven in zijn ware proporties te leven'. Wat Hillesum weet te zeggen over het leven, bewonderenswaardig, over luisteren naar je innerlijke stem, je gevoel en niet omkijken, geen spijt hebben van gemaakte keuzen. We weten het allemaal.... Hillesum daarover: 'die innerlijke stem moet mijn enige leidraad zijn'. Haar 'innerlijke intuïtie' heeft haar nooit 'ja' doen zeggen tegen een man voor het leven. Zij spreekt zichzelf toe: '... wees dan achteraf niet verbitterd en je mag niet zeggen later: ik had toen zo en zo moeten... Zoiets mag je nooit zeggen later en daarom moet je nu zo erg goed luisteren naar je oerbron en je niet altijd laten verwarren door wat mensen om je heen zeggen. Wat een inzicht, dat voor het hele leven geldt. Ik heb wel eens gezegd: 'Uiteindelijk moet je het allemaal alleen doen'. Hillesum zegt het zo: 'De enige maatstaf die je hebt ben je zelf... En de enige verantwoordelijkheid die jij in je leven op je zult kunnen nemen is die voor jezelf. Maar dat moet je dan ook ten volle doen', Ook de vertwijfeling komt aan bod: '... omdat je de ander in laatste instantie tóch als onbereikbaar voelde...'. De roman die ik op stapel heb staan, gaat over de onbereikbare liefde. Oei, dat schept verplichtingen. Hillesum heeft het goed door: 'Wanneer men een ander wil kneden naar z'n voorstelling loopt men altijd weer tegen een muur en wordt steeds teleurgesteld, niet in de ander, maar in de eisen die men zelf aan de ander stelt'.
'Om iemands leven te kennen moet men zijn dromen kennen, zijn verhouding tot zijn verwanten, zijn stemmingen, zijn teleurstellingen, zijn ziekte en dood'.
'Met moet nooit tot het uiterste willen gaan, er moet nog iets overblijven voor de fantasie'. 'De meeste vraagstukken zijn al voor het grootste deel opgelost, alleen al door het aanroeren ervan'.
'Alleen woorden die organisch ingevoegd zijn in een groot zwijgen zou ik willen schrijven, niet woorden die er alleen maar zijn om het zwijgen te overstemmen en uiteen te rukken. De woorden moeten eigenlijk het zwijgen accentueren'. '... wijzelf beroven ons van onze beste krachten door onze verkeerde instelling'. 'Ik heb geen behoefte uiterlijk een flink figuur te slaan, ik heb mijn innerlijke kracht en dat is voldoende, de rest is onbelangrijk'. Voor ad rem-heden deugt zij dan ook niet. 'Ad rem kan ik zijn in een gesprek van geest tot geest'. 'Wanneer men van tevoren allerlei komende dingen met zijn zorgen belast, dan kunnen ze zich niet organisch ontwikkelen'.
Over de verschrikkingen die de mensen wachten, 'de volkomen innerlijke onvoorbereidheid, waardoor ze nu al jammerlijk omkomen voordat ze nog een arbeidskamp hebben gezien... Dantes Hel is er een lichtzinnige operette bij'.
'De mens lijdt nog het meest door het lijden dat hij vreest'. Tja, deze uitspraak, althans de gedachte, stamt echt niet van haar. Zo werd deze in de 19de eeuw ook al gebruikt door de schrijver Hildebrand oftewel Nicolaas Beets. Maar zij is nog veel ouder, zie bijvoorbeeld Montaigne (1533-1592) in zijn Essays, boek III, 13: 'Qui craint de souffrir, il souffre déjà de ce qu'il craint'. Ik vermoed zelfs dat die wijsheid wel stamt van een wijsgeer uit de antieke tijd.

Frans Duijf


Home
Oscar Wilde
Dante
Hildebrand