Laten we het er een tijd niet over hebben.

Waarom ik geen lid word van het steuncomité voor Jami's comité.

Religie is te intiem voor Comités vindt Fouad Laroui.
Hij pleit daarentegen voor een moratorium op geloofsverklaringen.

Volkskrant 25-08-2007





Zoals heel wat anderen, neem ik aan, heb ik een brief ontvangen van het Steuncomité ex-moslims, waarin mij wordt gevraagd om een steunverklaring bij de oprichting van het Comité van ex-moslims. Die brief droeg de handtekening van een stuk of vijftien personen. Toevallig kende ik, min of meer, al die personen. Er zaten persoonlijke vrienden bij, collega's of ex-collega's van de universiteit, debatdeelnemers die ik vaak tegenkom, journalisten met veel talent. Ik heb veel respect en waardering voor hen. Daarom lijkt het me gepast om mij nader te verklaren over mijn beweegredenen om geen gehoor te geven aan hun oproep. Ik heb die al twee keer aan Ehsan Jami zelf uiteengezet. Misschien is het nuttig dat hier nog eens te doen.
Persoonlijk heb ik nooit aan iemand verteld, gisteren noch vandaag, wat ik geloof en wat ik niet geloof. Al toen ik acht of negen jaar oud was weigerde ik mee te doen aan dat soort discussies. Dat kwam louter voort uit intuïtie. De puberteit en daarna de volwassenheid hebben die houding alleen maar versterkt: er zijn rationele en filosofische overwegingen bij gekomen, die ik op mijn negende nog niet had.
Waarom heb ik nooit geantwoord? Omdat ik vond, en nog steeds vind, dat het om zoiets intiems gaat, dat het beter geheim kan blijven. Ik was verrukt en voelde me bevestigd in mijn houding toen ik de volgende anekdote hoorde. Een jaar of wat geleden ontving de Franse filosoof Michel Serres een jonge journaliste voor een vraaggesprek. Op een zeker moment vroeg zij hem of hij gelovig was. Ze dacht dat ze hallucineerde toen ze hem hoor de zeggen:
'Mademoiselle, trek uw kleren uit, presenteer u volkomen naakt aan mij en ik zal uw vraag beantwoorden.'
Aangezien ze hem diep geschokt aanstaarde (vieze oude man!), ging hij voort:
'U vraagt mij om mij geestelijk gezien naakt aan u te tonen, alsof dat de normaalste zaak ter wereld is. En als ik u op mijn beurt vraag u te ontbloten, kijkt u naar me met een blik vol afgrijzen!'
De journaliste begreep zijn redenering, glimlachte wat en ging over tot de volgende vraag. Hoeveel van al die mensen in Nederland die mij blijven vragen: 'Bent u moslim? Gelooft u in God? Bidt u wel eens?' zouden mij begrijpen als ik hun het antwoord van Serres zou geven? Eerlijk gezegd heb ik geen van hen ooit gevraagd zich in Adamskostuum aan mij te vertonen, uit angst voor een aan klacht wegens 'ongewenste intimiteit'. Zou de rechter wel begrijpen dat de meest ongewenste intimiteit de nieuwsgierigheid van onze buurman naar onze relatie tot God is of er nu zo'n relatie bestaat of niet?
Die intimiteit moet zich uitstrekken, lijkt me, tot wat we niet geloven, of niet meer geloven, of nooit hebben geloofd. Dat is de reden waarom ik nooit kan toetreden tot een comité van ex-geeft-niet-wat, zelfs niet van ex-fans van Bob Dylan (in wie velen hun geloof hebben verloren na het album Slow Train Coming uit 1979).
Als iedereen voor zich hield wat hij als zijn identiteit ziet, bovenal als het religieuze overtuigingen betreft, zou de wereld een heel wat vrediger oord zijn. Je hoeft de krant maar open te slaan om te beseffen hoe ver die geloven haat jegens de ander, diens ontmenselijking, tot aan diens uitroeiing toe, kunnen rechtvaardigen.
Hoe het ook zij, die religieuze identiteiten zijn vaag en stellen niet veel voor. Een paar van mijn 'soennitische' studenten tijdens de cursus Cultuurkunde Arabisch aan de Universiteit van Amsterdam bezwoeren me het afgelopen jaar dat sjiieten geen moslims zijn. Dat vond een andere student van me, die naast hen zat, niet zo leuk. Hij was namelijk een Iraakse vluchteling, een sjiiet, die zich niet anders dan als moslim zag. Ik moest de gemoederen tot bedaring brengen en wees de een en de anderen erop dat de universiteit moskee Al-Aszhar in Cairo, de hoogste soennitische autoriteit, officieel heeft erkend dat sjiieten ook moslims zijn.
Een jaar of wat geleden weigerden hier in Nederland moslims van Marokkaanse en Turkse afkomst aan een tafel te zitten met Ahmadi's uit Pakistan met als reden dat die 'geen echte moslims' zouden zijn. Zoiets overkomt ook gelovigen die zich katholiek noemen maar bepaalde dogma's van de kerk afwijzen (de onfeilbaarheid van de paus bijvoorbeeld).
In die geweldige kakofonie der geloven is er weinig kans dat twee personen er precies hetzelfde over denken, je hoeft maar een beetje te peuteren en de verschillen in interpretaties en definities doemen op. Daarover is elke discussie van begin af aan zinloos. Want, wat heb je eraan te roepen: ik ben christen, ik ben moslim, ik ben rastafari, als er altijd wel iemand is die je die identiteit ontzegt?
Men zou kunnen tegenwerpen dat de gelovige de erkenning van anderen niet nodig heeft en dat hij weet wie hij is. Helaas is het gebruik van dat werkwoord 'zijn' de bron van vele onlogische vergissingen. Misschien is dat woord wel de slechtste uitvinding van de mens. Door dat woord vergist de mens zich de hele tijd en uiteindelijk zet dat woord hem aan tot de verschrikkelijkste misdaden. Geloven dat je iets bent maakt dat je niet meer steeds hoeft na te denken over wat je doet (actie ondernemen, keuzen maken), zo verhef je een deel van jezelf (een paar vage ideeën over God) tot iets absoluuts. En omdat het absoluut is, is daarover geen enkel vergelijk met anderen mogelijk. In het extreemste geval kan het leiden tot het zich afsluiten van de samenleving. Mohammed B., de moordenaar van Theo van Gogh, had zich van de samenleving afgekeerd tot hij op een dag, een enkele dag in die samenleving terugkeerde met een apotheose van geweld. Mohammed B.  geloofde zeker te weten wat hij was.
Om al die redenen ben ik, in plaats van voor het oprichten van comités, voor een vrijwillig, meerjarig moratorium op alle geloofsverklaringen en ongeloofverklaringen. Laten wij allen - allen die in dit land wonen - stoppen urbi et orbi te verkondigen: 'Ik geloof dit, ik geloof daar helemaal niet in, ik ben dit, ik ben niet dat.'
Tijdens de jaren van dit moratorium, doen we niets anders dan ons best om goede burgers te zijn, dat wil zeggen dat we de wet respecteren en in harmonie samenleven. Als er lieden zijn voor wie dit echt te moeilijk is, die het echt niet kunnen laten te verkondigen wat ze denken wat hun identiteit is, moeten die zich in ieder geval beperken tot uitingen die verdenking noch agressiviteit opwekken; 'Ik ben filatelist, ik ben dol op de Italiaanse keuken, ik wandel verschrikkelijk graag in de bergen.'
Het zou kunnen dat op een dag de passies tot bedaren zijn gekomen. Waarop het mogelijk zal zijn, voor hen die dat wensen, beleefd en op vreedzame wijze van gedachten te wisselen over God en over de engelen, over het paradijs en de hel, over Jezus en Mohammed. Helaas, zo ver is het nog niet. Zelfs nog lang niet. Het beste wat we kunnen doen tot het zover is, is leren ons in te houden en niemand op stang te jagen met wat we geloven, of met wat we niet geloven.

Fouad Laroui is schrijver.
Commentaren

Jan Sterenborg
Henk Müller


Survey | SEO