Michel van der Plas

Mijnheer Gezelle - Biografie van een priester-dichter (1830-1899)

Frans Duijf

Cees Nooteboom werd ooit betrapt, terwijl hij met twee Albert Heijn-tassen vol met boeken boekhandel Scheltema aan het Koningsplein te Amsterdam verliet. Op de vraag of hij al die boeken zou gaan lezen, antwoordde de schrijver: 'Op een gegeven moment heb je ze vanzelf gelezen'. Hoe een dergelijk proces in zijn werk gaat, vermeldt de historie niet. Aan deze anekdote moest ik denken, toen ik na gedane arbeid terugkeek op de biografie die Van der Plas over Guido Gezelle schreef. Dat boeken ongelezen in kasten blijven staan, is zeker. Een dergelijk lot dreigde mijn exemplaar van deze biografie te ondergaan. Het was voor mij geen sinecure dit boek te lezen en toen ik eenmaal begonnen was, was het niet vanzelfsprekend, dat ik het boek zou uitlezen.
Toen ik het boek begin 2004 kocht, kwam het, nadat ik er als te doen gebruikelijk aan geroken had, keurig in de kast te staan. Het proces à la Nooteboom, zou aarzelend op gang komen toen ik op de verrassend goed onderhouden website van De Vrije Culturele Ruimte de aanbeveling las van Chris van der Linden, zoals hij haar laatstelijk in mei 2008 (her)formuleerde in Een waardevolle les: 'Als een lawine storten heel veel betekenisvolle weergaven van de biografie van Guido Gazelle over mij heen. Een meer dan aanbevelenswaardig boek'. Het proces zou versterkt worden door mijn correspondentie met Jan Sterenborg.

August Vermeylen heeft van Gezelle gezegd: 'Wat ook al die onverwachte bewonderaars in Gezelle zullen verheerlijken, de katholiek, de geleerde, de flamingant: Gezelle was en is, eerst en vooral, de grootste dichter van Vlaanderen'. Kees Fens komt de eer toe te hebben gezien, dat de Zuid-Nederlandse literatuur door de jaren heen het ontbrekende deel van de Noord-Nederlandse is geweest. Zo plaatste hij in Bloedworst en kaas, opgenomen in Ons Erfdeel, 42ste jaargang, september-oktober 1999, Gezelle naast Gorter.
Deze biografie van Guido Gezelle, verschenen in 1990, is niet de eersteling over de dichter en priester. Onder meer de dichteres en prozaschrijfster Christine D'haen was Van der Plas voor; in 1983 publiceerde zij De wonde in 't hert - Guido Gezelle: een dichtersbiografie, waarover Maarten 't Hart in In welk wolkengebied woont u, mijnheer Gezelle? (NRC van 7 december 1990) kort en goed optekende: 'een curieuze, boeiende documentenverzameling maar geen echte biografie', dit in tegenstelling tot het werk van Van der Plas, dat zeer tot treurnis van D'haen werd gelauwerd, nota bene door de Belgen. D'haen liet zich gaan en weet het eraan dat haar boek 'misschien niet katholiek genoeg was'. Eh bien, dat kunnen we van Van der Plas' versie niet zeggen, wel het navolgende. Maar eerst nog een keer D'haen. In haar lezenswaardige boek Uitgespaard zelfportret schrijft zij over medecongresganger Michel van der Plas, dat deze bereidwillig de briefkaarten van de congresgangers schreef, zoals op de kaart van Brulez aan D'haen: 'Ach Christien, ach Christien, / herinnert gij u dat bed misschien, / Die autobank in Amsterdam / waar 'k - ver van u - mijn nachtrust nam?' Ik neem aan dat het gaat om de schrijver Raymond Brulez, waarover Jeroen Brouwers het portret De Vlaamse Voltaire - Raymond Brulez honderd jaar, opgenomen in Feuilletons: Terug thuis - Verhalen, leerervaringen, voetnoten schreef. Er is tweemaal troost voor D'haen. Uit het uitgebreide notenapparaat blijkt dat Van der Plas haar werk zeer wel kende. De gedichten van Gezelle zijn van heel ander kaliber.

Het boek is één groot fraai portret van Gezelle. Evident is dat Gezelle zowel priester, leraar als dichter was. Ik vraag me af wat voor Gezelle primair kwam. Ik denk eigenlijk, dat het zijn dichterschap was. Hij heeft zijn poëzie in grote mate in dienst gesteld van zijn priesterschap, waarbinnen hij genoot van zijn leraarschap, op het naïeve af leefde voor zijn leerlingen. Het priesterschap stelde hem niettemin niet in staat dat te doen wat hij het liefste zou hebben gewild, naar hijzelf geloofde: missionaris worden in Engeland. Naar eigen zeggen heeft Gezelle in zijn jeugd al besloten nooit verzen te schrijven voordat hij de mis had opgedragen. 'Ik ben daar altijd trouw aan gebleven, maar dat heeft me heel vaak moeite gekost'.

Het is een heftig boek om te lezen. Dat begint al met het voorwoord van Van der Plas. Michel van der Plas kreeg als leerling van een kleinseminarie van zijn vader de Verzamelde Werken van Guido Gezelle cadeau, de fraaie zesdelige gebonden Jubileumuitgave der jaren dertig. Kennelijk heeft Van der Plas bij het schrijven van het boek een andere Jubileumuitgave geraadpleegd, het valt mij althans op, dat hij op de lijst geraadpleegde literatuur 18 delen vermeldt. Enfin, Michel was 13 jaar. 'Het was een kostbaar geschenk. Het betekende voor iemand die zelf verzen begon te schrijven voor het eerst een kennismaking met het gehele oeuvre van een dichter. Maar het was bovendien het werk van een priester: iemand met de levensstatus die ik op dat ogenblik ook voor mezelf zag weggelegd'. Het werk van Gezelle vormde voor Van der Plas een baken van rust. Hij kon zich in het werk van Gezelle terugtrekken. Daarnaast bracht het 'vervoeringen onder woorden die het regime van alledag niet toestond'. Feitelijk werd het geestelijk bezit van Gezelles poëzie en de toegespitste inspiratie tot eigen werk dat zij teweegbracht de aanleiding tot het conflict, dat leidde tot de verwijdering van de auteur van het seminarie, althans zo interpreteer ik zijn woorden. Met het voorgaande heeft het boek mij direct geraakt. Een deel van de biografie van Van der Plas komt met de mijne overeen, dankzij enkele overeenkomstige omstandigheden. Ook ik bezocht een seminarie. Ik zou mijn consilium abeundi krijgen, kort voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar, wat ik om twee redenen niet als een geschenk kon zien. De behandeling was niet rechtvaardig en ik voelde me schuldig ten opzichte van mijn ouders die kosten noch moeite hadden gespaard om mijn opleiding te bekostigen. Een belangrijk verschil met Van der Plas is: ik beschikte niet over de werken van Gezelle. Ik had zijn werken niet nodig om in 'vervoeringen' te geraken. Ik draag ten opzichte van Gezelle dan ook geen ereplicht mee, noch ten opzichte van mijn vader, althans niet vanwege de boeken die hij mij had geschonken. Ik zou mij behelpen met Guido Gezelle Bloemlezing - Zijn wereld in 400 gedichten, samengesteld door de illustere Jozef Boets, met de door P. Couttenier en A. de Vos bezorgde uitgave van Guido Gezelle - Poëzie en proza, met algemene bloemlezingen en schooluitgaven. De volumineuze uitgave die ik ooit bij De Slegte zag liggen, heb ik aan mij voorbij laten gaan. Desondanks is een gedicht als Het schrijverke met zijn fraaie regels 'O krinklende winklende waterding, / met 't zwarte kabotseken aan, / wat zien ik toch geren uw kopke flink / al schrijven op 't waterke gaan!' aan mij bepaald niet voorbijgegaan, noch een gedicht als O! 't ruischen van het ranke riet!, met de beginregels als 'O! 't ruischen van het ranke riet! / o wist ik toch uw droevig lied!', door Gerrit Komrij oneerbiedig, onmiskenbaar geestig, in Eendagsvliegen geparodieerd: 'O! 't ruisen van het ranke riet! / Uw herrie maakt me kierewiet'. Tot slot, Dien avond en die rooze, ook al zo'n onsterfelijk gedicht: ''k Heb menig uur bij u / gesleten en genoten, / en nooit en heeft een uur met u / me een enklen stond verdroten. / 'k Heb menig menig blom voor u / gelezen en geschonken, / en, lijk een bie, met u, met u / er honing uit gedronken; / maar nooit een uur zoo lief met u, / zoo lang zij duren koste; / maar nooit een uur zoo droef om u, / wanneer ik scheiden moste, / als het uur wanneer ik dicht bij u, / dien avond, neêrgezeten, / u spreken hoorde en sprak tot u / wat onze zielen weten. / Noch nooit een blom zoo schoon, van u / gezocht, geplukt, gelezen, / als die dien avond blonk op u, / en mocht de mijne wezen ! / Ofschoon, zoo wel voor mij als u, / -wie zal dit kwaad genezen ?- / een uur bij mij, een uur bij u / niet lang een uur mag wezen; / ofschoon voor mij, ofschoon voor u, / zoo lief en uitgelezen, / die rooze, al was 't een roos van u, / niet lang een roos mocht wezen, / toch lang bewaart, dit zeg ik u, / 't en ware ik 't al verloze, / mijn hert drie dierbare beelden: U, / dien avond - en - die rooze !' Ik kan mij voorstellen, dat de werken van Gezelle (ook) stichtelijk op Van der Plas hebben gewerkt. Van der Plas zegt zelf dat hij onder invloed van Gezelles werk over zijn toekomst nadenkend, allengs begon te dromen van de mogelijkheid ook een priester-leraar te mogen worden, zoals Gezelle geweest zou zijn.

Op 16-jarige leeftijd (pas) vertrekt Guido Gezelle naar het klein seminarie, te Roeselare. Zijn vader heeft een financiële regeling kunnen treffen, een fikse korting bedongen op het kostgeld. Dat zal Guido ervaren, nog los van het besef dat de financiële armslag van zijn vader gering is. Guido moet als portier en loopjongen fungeren. De standbewuste medeleerlingen hebben het feilloos door. Het laat zich raden wat dat betekent voor de jonge Gezelle. Eén goot voordeel heeft het instituut, althans in mijn optiek (van nu): men is verplicht te converseren en te schrijven in het Frans, de taal die altijd mijn voorliefde heeft gehad, en nog heeft. Het instituut blijkt een open instituut, in zoverre het zich richt op een breed publiek. Het is niet alleen gericht op het opleiden van priesters. Het legt de nadruk op de intellectuele vorming en er is sprake van vakken, nodig voor 'zakenlieden, notarissen, hoge ambtenaren' en dergelijke, en van 'aanzienlijke posities in de maatschappij'.
Hoe moeilijk Gezelle het heeft, blijkt wel uit een gedicht, dat hij als 16-jarige knaap schreef voor een vriend, met daarin de regels: ''k Neem nog eens mijn lier in handen / Muza, stem een droevig lied, /'k Schrijf het op de zwarte wanden / Van dees kerker van verdriet'. Deze versie is te vinden in het Verzameld werk van Karel van de Woestijne. Van der Plas geeft een veel uitgebreidere versie van het gedicht, maar begint met een afwijkende tweede regel: 'Muza, stem mijn droevig lied'. Gezelle brengt erin tot uitdrukking in zijn grote verdriet te zitten opgesloten, in een soortement gevangenis, verstoken van zijn moeder(lijke) zorg, zijn goede vriend, zijn vrijheid.

Er ging ook wel eens wat mis. Gezelle rookte op een avond een pijpje met een paar knechten en dronk met hen een biertje. Dat kwam hem op zijn ontslag als portier te staan. Meesterlijk is zijn reactie, zijn verweer, gericht aan zijn vader, die hem - hoe goed - een toelichting vroeg. Pijnlijk blijkt zijn verscheurdheid. Zijn vader regelt, dat het weer in orde komt. De portiersinkomsten heeft hij dan ook van node. Daarbij zal geholpen hebben, dat de superior met wie hij sprak, ook de biechtvader was van Guido.

Guido ging zich richten op het priesterschap, maar dat was niet gemakkelijk voor hem. Dezelfde superior had daar grote vraagtekens bij. Was Guido Gezelle niet een te originele figuur voor het priesterschap? Stond zijn natuurlijk verlangen naar vrijheid en ongebondenheid, gepaard gaande met onafhankelijke ondernemingslust, daaraan niet in de weg? Was dat wel te rijmen met grote volgzaamheid, gehoorzaamheid, nederigheid, temeer omdat hij gedichten schreef en dat bovendien in het Vlaams? Hoe zou zich dat verdragen met de Franse taalpolitiek van de bisschop?

Guido ging met jongerejaars om. Dat is heel afwijkend van wat op seminaria gebruikelijk was (toegestaan was) of mogelijk was. Op Roeselare was dat anders. Het werd zelfs bevorderd. Zo ging Gezelle, 'als filosoof, 19, 20 jaar oud, zeer intiem' met de jongerejaars om. Een voorbeeld is het briefje van de veel jongere Thomas Healy die Gezelle in zijn kinderlijke handschrift liet weten: 'I am sensible to the warmhearted friendship which you have offered me… You have offered me your heart… But Dearest Friend, do not say any word about master and servant but let us be friends together and inseparable Friends'. Ook spreekt Healy over vermeend slecht gedrag, waarover gesproken zou worden. Ook van de twaalfjarige Alphonse Steinmetz zijn brieven bewaard die de suggestie wekken dat sprake zou zijn van 'persecution', die met zijn relatie met Gezelle verband zou houden. Enfin, Gezelle was iemand die graag bemoederde en nam de uitnodiging van superior Faict 'tot zorgzaam contact met jongere medeleerlingen' serieus. Zijn zorg voor jongere lotgenoten op het internaat - vooral voor hen die van zo ver kwamen, van Engeland - was authentiek. 'Hij bood ze zijn vriendschap - vererend genoeg, maar daardoor ook zeker aanleiding vormend tot jaloezie bij leeftijdgenootjes. Hij schonk hun een vertrouwelijkheid die zo ver ging, dat hij hen ook deelgenoot maakte van eigen onzekerheid en verdriet'.
Bijzonder vermeldenswaard is de wijze waarop Gezelle als eerstejaars docent op Roeselare in het besloten milieu van het seminarie emoties losmaakte die voordien onderdrukt werden. Op jeugdige leeftijd behoorden tot Gezelles leerlingen mensen als Eugène van Oye en Hugo Verriest. Guido Gezelle leefde er als 'een vader van dag tot dag met zijn kinderen', met zijn leerlingen die zich 'uitverkorenen' voelden. Gezelle schrijft er Kerkhofblommen in sneltreinvaart, hield Van Oye als ooggetuige - als om 'tijdens het schrijven de klas symbolisch bij zich te hebben' - erbij. 'De aanwezigheid van deze beminde leerling, weerklank en bemoedigen, maar ook verwachtingsvol publiek, spoort hem aan tot het uitputten van zijn krachten'. Al gauw ontstond Dichtoefeningen als bundel voor studenten, zoals Gedichten, Gezangen en Gebeden van 1862 de bundel van de studenten werd. Bij de samenstelling betrok Gezelle Van Oye, zijn geliefde poësisleerling die hem aanbad ('beminne' zou Van Oye zelf schrijven).
Niet iedereen was blij met wat Gezelle deed. Zijn collega en latere superieur Van Hove voegde Gezelle na het verschijnen van Kerkhofblommen toe: 'Poète! La réalité de la vie est toute autre que les illusions de votre poésie, cher confrère !'. Van Hove doorzag de wens van Gezelle een Vlaamse (priester-)dichterschool op te richten en beschouwde hem als een dromer met illusies die hij tot overmaat van ramp ook nog dreigde over te planten in een klas die het jaar daarop Van Hoves retoricalessen zou moeten volgen. Gezelles raakte erdoor gekwetst omdat hij waarlijk meende, dat het dichterschap alleen maar kon en mocht wortelen in het geloof, evenals dienstbaar zijn aan de kerkelijke hiërarchie, de leer en de liturgie. Alsof Gezelle werkelijk 'naast het leven' zou staan. Het leidt tot een eruptie van verontwaardiging en verzet. 'Snoert maar de keten, schroeft de banden toe, moet ik er dragen, Zij breken wel eens als ik, vrij van alle boeien en kluisters, maar eenen band meer lijden zal, één keten, die, ik als 't wapentuig van Achilles, optrekt en verheft ten hemelwaard! Een keten van oneindig beminnen en bemind zijn van den Heere Jesu!'. Dit was, in zijn hartstochtelijke brief - die een kerndocument in zijn leven is - aan de achttienjarige Eugène van Oye, een deel van Gezelles reactie, op de kritiek van Van Hove. In Mensen en Meningen zou Anton van Duinkerken Gezelle onweerstaanbaar naïef noemen, twee termen die 'zowel los van elkaar als in vereniging toepasbaar' zijn op de leraar van Van Oye. Van Hove moet het werk van Gezelle, in het bijzonder zijn bundeling Dichtoefeningen, niet kende, gekend hebben. Het tegendeel lijkt nauwelijks geloofwaardig. Hoe naïef Gezelle ook moge zijn, de uitlating van Van Hove kán alleen maar tot de slotsom leiden, dat Van Hove noch het werk van de dichter noch zijn drijfveren begreep óf zich schuldig maakte aan intimidatie.
Het eerste jaar als docent op Roeselare bracht Gezelle een bijzondere vriendschap die uitgroeide tot zielsverwantschap. Aan Van Oye zou Gezelle daarover later schrijven: 'Did we not learn our poetry together?' In Dichtoefeningen vinden we terug wat Gezelle in de diepgaande relatie beleefde en aan inspiratie opdeed, in een gedicht nadat Van Oye zijn spijt over een misstap had uitgedrukt: 'Nooit en streelde er mijne wangen / traan zo dierbaar en zoo lief / als ik die heb opgevangen / in de plooien van uw brief, zoenend hem zoo menig werven / eer dat ik nog tenden was, / vreezende eerder hem te derven / hoe snel- en snelder las. /Ja, een kind dat blijve uwe herte, / schoon al 't ander manlijk zij, / ende vriend, in vreugd en smerte, / heb ik u, zoo hebt ge mij. / Hebbe God ons boven allen, / hebbe Jesus ons getweeën! / Laat al 't Andre, moet het vallen, / 't valle! Jesus blijve alleen!'. Uit 'vriend in vreugde en smerte' blijkt: 'hoogten en diepten waren voorvoeld. Hij zelf was, opnieuw, een man in bekoring'.


Het hele verhaal van Frans Duijf kunt U hier downloaden.
Michel van der Plas 1927
Frans Duijf
1951