Al weer zo'n vijftien jaar geleden liep ik met mijn hartsvriendin op een landtong. Daar bevond zich bij de entree een klein vliegveld en aan het eind ervan een kapelletje waar ik een kaarsje opstak. Zo maar, voor mijn moeder en al degenen die ik liefheb. Het gaf me het gevoel in de sfeer van het onbekende te mogen vertoeven. Maar nog geen tien seconden later maakte dit plaats voor een zwaar aanzwellend gebrul van vliegmotoren. Ik schrok me wild. Het vlammetje van het kaarsje flakkerde maar bleef aan.

Vandaag de dag steek ik nog steeds kaarsjes aan. Als ik dat doe is het heel bewust voor bijvoorbeeld een aanstaande moeder, iemand in het ziekenhuis, iemand die de weg kwijt is of gewoon om een beetje meer geluk.

Dit gebruik is mij niet komen aanwaaien, en doe het zeker niet vanzelfsprekend. Eigenlijk heb ik mij er altijd tegen verzet. Met verbazing onderga ik mijn verandering in deze, bezie tijdens het opsteken van een kaarsje mijzelf en ga in gesprek over wat mij hiertoe beweegt. Dat is een heel intens moment. Wel is er altijd vrees dat het vlammetje eertijds uit zal gaan.

Vanmorgen, bij het lezen van een verse e-mail over een naderende dood, komt  het beeld van een kaarsje bij mij op. Allerlei negatieve voorstellingen passeren de revue. 

Voor de noodzakelijke beweging zet ik mij een uurtje aan het wandelen. Het is een fijn temperatuurtje om te genieten en ontspannen. In gedachten steek ik een kaarsje aan. Het speelt en geeft licht waar het urenlang donker is geweest.



Het kaarsje
Herman Bergensteen