Update
8 maart 2012
Ondergang van de Godsdienst door Nico van Suchtelen 1927
Ondergang van de godsdienst.

Nico van Suchtelen

Tot het Al-ene

1927

Het Christendom bleek, in zedelijk en redelijk opzicht, voor de vrije denker ontoereikend. Dit betekent dat het vroeg of laat moet ten onder gaan. En het afstervingsproces is in volle gang; het katholicisme zowel als het protestantisme verliezen relatief terrein en het aantal buitenkerkelijke individuen blijft stijgen. Hoelang dit proces zal duren, valt niet te voorspellen; misschien nog eeuwen, het zal voornamelijk afhangen van de geestelijke ontwikkeling der „massa's", die thans nog geheel onder hun invloed leven. Misschien zal het klinkt paradox, het „vrijere" protestantisme het eerst verdwijnen; het lijkt mij bezig Zichzelf te vernietigen. Het orthodoxe protestantisme door zich, in zijn koppig-verstarde, blinde en oost-indisch-dove vasthoudendheid aan de letter van het „woord" Gods, steeds belachelijker te maken; het vrijzinnige door zich steeds radikaler van die letter te bevrijden.

„Le protestantisme est la seule réligion où l'on puisse devenir athéé sans s'en apercevoir," zegt Guyau in L'Irréligiosité de 1'avenir 131.

 Reeds sedert Bodin, voor wie alle religies even goed zijn, en de predikers van het Jus naturale, het Natuur-recht, voor wie moraal en recht, onafhankelijk van de religie, alleen op de natuurlijke rede berusten, is het protestantisme eigenlijk al opgeheven, schoon nog lang de meeste filosofen van een verzoening tussen rede en openbaring dromen. En wanneer God, zoals voor Kant en alle volgende „bevestigers" van het protestantisme, tot symbool van de zedelijke wereldorde is geworden, is het feitelijk met de kerkelijke godsdienst gedaan en onderscheidt zich de morele protestant in geen enkel opzicht meer van de morele vrijdenker, hetzij onkerkelijk-religieus, hetzij zelfs atheïst. Daarom is de vrijzinnige gemeente zo klein, haar karakter is voorlopigheid, haar leden zijn overgangstypen.
Daarom ook lijkt mij een zogenaamde „redelijke" hervorming van het protestantisme een illusie. Zij leidt tot wijsbegeerte met min of meer christologiserende terminologie, maar niet tot godsdienst. En wat de hedendaagse neiging tot federalisme betreft; zij schijnt zich eer te zullen openbaren in een uniformering, misschien vereenvoudiging van ritueel, en dus meer een reactionair teruggaan te betekenen tot oudere, katholieke kultus, dan een fors streven naar verjonging, naar schepping van iets nieuws in groter vrijheid.
Zowel te Stockholm in 1925 als te Lausanne in 1927 bleek eenheid van geloofsovertuiging niet te bereiken. Het federalisme geeft daarom meer de indruk van een poging tot behoud van hen die, uit balorigheid om al te grote verdeeldheid, dreigen af te vallen, dan tot herwinnen van de reeds voor de Kerk verlorenen.
Het Christendom gaat onder. Dit mag stout gesproken schijnen in een tijd, waarin geleerde kardinalen nog diepzinnige bespiegelingen houden over een oermagische transsubstantiatie; waarin doctoren de „echtheid" bewijzen van een lap waarin het dode lichaam van Jezus gewikkeld zou zijn geweest, en waarin even geleerde predikanten disputeren over het spraakvermogen van de paradijsslang; een tijd -waarin protestantse profeetjes en gestigmatiseerde hysterica's wonderen verrichten en het bijgelovig vulgus aller standen nog zweert bij duivels en boze geesten; een tijd waarin het waarlijk niet aan sommige priesters en dominees te danken is zo niet nog allerwegen de brandstapels flakkeren; het is niettemin de waarheid die daarom zegeviert, wijl tenslotte één gedachte in de richting van de levende evolutie machtiger is dan duizend stervende waanbeelden. Nog minder waarschijnlijk dan een herstel van het Christendom is een renaissance van het Boeddhisme, althans in de moderne kultuurstaten.
Wel schijnt deze „stervenskunst bij uitnemendheid" in de laatste tijd in Indië en vooral in Japan zich weer krachtig te verheffen en, waar de prediking der tienduizenden apostelen van deze zachtzinnigste aller religies de doodsverachtende... krijgshaftigheid der bekeerden zo zichtbaar exalteert als in de Russisch-Japanse oorlog bleek, is deze herleving niet zonder belang, zo niet een bedreiging voor Europa; (1945. Gelijk in de tweede wereldoorlog is gebleken.) maar toch, een direkte culturele invloed van blijvende aard zal het Boeddhisme in de moderne Europese cultuurtalen bezwaarlijk meer verkrijgen. Poogt een waanwijs spiritualisme, ontstaan uit reactie tegen een even waanwijs materialisme en geïnspireerd door een ondoordacht enthousiasme voor opnieuw-ontdekte „Indische wijsheid" zijn groteske neoboeddhistische verzinsels te verspreiden onder hen die - goed- en bijgelovig van huis uit - toch te vrij en wetenschappelijk werden opgevoed om christenen te kunnen blijven; het is duidelijk dat op de vage besluiteloosheid van ook deze „voorlopige", in een doorgangsstadium verkerende individuen geen sterke religie kan worden gegrondvest. En nog minder op dit samenraapsel van te zachtaardige en wekelijke moralistjes, atavistische tovenaars en sterrewichelaars, die hetzij door hun minzaamheid, hetzij door hun halfslachtige wetenschappelijkheid, enkele groepen van uit hun zedelijk en verstandelijk evenwicht opgeschrikten om zich weten te concentreren.

De Theosofie in haar verschillende vormen zal niets anders bereiken dan dat haar aanhangers beginnen te denken, om haar, naarmate zij doordenken en genoeg krijgen van de wijsheid der verborgen Meesters, weer te verloochenen. Dit is haar grote nut en belang, maar ook haar enige betekenis.
Maar ook de hoop op een geheel nieuwe, aan de moderne moraalbehoefte geadapteerde godsdienst lijkt mij ongegrond. Men zou misschien kunnen menen dat de moderne wereld nog moeder en moedelozer, nog zieker en twijfelzuchtiger, nog grover en cynischer is dan de voor christelijke. En inderdaad, zij schijnt in vele opzichten zwakker en dekadenter. In waarheid echter is alleen maar het materialisme minder ruw en dierlijk-zinnelijk geworden, het spiritualisme armer aan schrik-vervulde fantasie en daarom terend op lang overleefde verzinsels, die het koeler denken toch eigenlijk niet meer van harte kan geloven. Maar dit is geen teken van groter zwakheid, doch eer van een dieper voelen en fijner smaak, die echter hun vaste levenssfeer nog niet vonden.
Een godsdienst, een Kerk, is een massa-instituut en het waarlijk vrijreligieuze denken is volstrekt individueel; het heeft zich juist aan de massale suggestie onttrokken en kan er niet toe terugkeren zonder zijn veroverde vrijheid opnieuw te verliezen. Een kerk is een mausoleum, waarin de levende geest zich niet thuis voelt. Intussen schijnt het niet alleen alsof, maar blijkt het inderdaad, dat velen, die buiten de kerk stonden er wel degelijk naar terugkeren, bij voorkeur tot de Rooms-katholieke. Maar deze bekeerlingen zijn toch niet, alleen omdat zij of hun voorouders door toeval, sleur of onverschilligheid buiten de kerk geraakt waren als vrije denkers te beschouwen! De vraag is of die andere kategorie van onkerkelijken, waarin wèl een eigen gedachte leeft, neiging vertoont tot nieuwe kerkvorming. En ook dit schijnt hier en daar werkelijk het geval. M.i. berust dit verschijnsel op een onwillekeurige voortzetting van intellektueel reeds overwonnen gevoelsbehoeften.
De sociologie leert ons een dergelijk proces kennen. Een klasse die aan de macht van een overheersende andere klasse bezig is te ontgroeien of reeds ontgroeid is, pleegt, ondanks alle klassenstrijd, de vroegere onderdrukkers in zeden en denkbeelden zoveel mogelijk na te bootsen: de bourgeoisie de adel, het bewuste proletariaat de gehate bourgeois. En zo schijnt ook de uit de ban van de kerk bevrijde geest voorshands een zekere imitatieve behoefte te hebben aan kerkje stichten en priestertje spelen op eigen hand. Bewegingen als het Vrij-katholicisme geven hiervan een voorbeeld. Er bestaat in deze nieuwe kerk een zekere intellektuele vrijheid, maar de gevoelssfeer wordt beheerst door een ceremonieel, dat eer aan een nog groter verbastering van antieke kultus doet denken dan aan een redelijke hervorming ervan.
Doch de waarlijk kultuurdragende geesten zullen op den duur geen priester meer kunnen zijn, noch er voor kunnen spelen. Ondanks dweepgrage vrouwen en schoonheids-dorstige en prachtlievende artiesten, weinig gewend hun gevoelens te analyseren, maar des te meer gewend ze in symbolen uit te drukken en die, zelfs na hun afval, de godsdienst gaarne verdedigen als „nuttige en schone dwaling", zonder welke de mensheid in troosteloze dorheid zou te gronde gaan. De kleingelovigen!
De denker van de toekomst echter zal vóór alles waarachtig zijn. Die intellektuele eerlijkheid en oprechtheid van gemoed, die zich meer en meer in hem ontwikkelen, zullen zich er tegen verzetten om hem woorden te doen spreken en ceremonieën te doen verrichten aan wier levende werkelijkheid, dat is aan wier magische uitwerking, hij niet meer kan geloven. Een „leider" moge bereid zijn de massa - om haar bestwil - te bedriegen, de denker kan dat niet; althans niet de denker van de toekomst, die in zijn ene denk-deugd klaarheid, koelheid, objectiviteit zal verenigen met scherpe zelfkritiek en bescheidenheid.




Survey | SEO
Nico van Suchtelen overleden
 
Edel mens,
begaafd auteur ging heen

 


Te Ermelo overleed in de afgelopen nacht op bijna 71-jarige leeftijd de letterkundige Jhr. Nico van Suchtelen, oud-directeur van de Wereldbibliotheek.
Zoals gemeld is de schrijver Nico van Suchtelen te Ermelo op bijna 71-jarige leeftijd overleden. Van Suchtelen werd 25 October 1878 te Amsterdam geboren.
In 1890 werd zijn vader eigenaar van een kalkfabriek te Zetten bij Hannover. Hij vestigde zich met zijn gezin in deze stad, waar de jonge Van Suchtelen het Realgymnasium bezocht.
In 1893 keerde het gezin naar Nederland terug. Van Suchtelen ontving toen zijn verdere opleiding te Haarlem.
Dit werd voor de jonge man een periode van grote zelfontwikkeling. Hij las Dickens, Heine, Multatuli, Vondel, Molière, Sakuntala, Meister Eckhard, Spinoza en Schopenhauer.
In die dagen schreef hij reeds een roman, een toneelstuk in de geest van Ibsen en een lang gedicht onder invloed van Gorters Mei: ook was hij als journalist werkzaam. In 1898 legde hij het staatsexamen af waarna hij te Amsterdam in de wis- en natuurkunde ging studeren. In 1899 kwam hij in contact met Frederik van Eeden. Hij woonde op Walden en volgde te Amsterdam colleges en practica.
Na het vereiste aanvullende staatsexamen te hebben afgelegd, veranderde hij van studierichting en deed in October zijn candidaats-examen in de rechten. Daarna vertrok hij naar Zürich, waar hij zich aan de Hochschule liet inschrijven. In deze stad schreef hij zijn "Quia Absurdum''.
Naar Nederland teruggekeerd, werd hij deelgenoot in de uitgeversfirma Maas en Van Suchtelen. In November1909 deed hij zijn doctoraalexamen in de staatswetenschappen waarna hij nachtredacteur buitenland bij "Het Vaderland" werd.
Tien maanden later werd hij secretaris van de Schiedamse industrieel M. C. M. de Groot.
In 1911 promoveerde hij te Amsterdam op een proefschrift: "De waarde als psychisch verschijnsel" in de staatswetenschappen.
Door zijn aanraking met L. Simons werd hij 1 Januari 1913 redacteur-secretaris van De Wereldbibliotheek. In 1914 verscheen van zijn hand: "De tuin der dromen". (In 1917 door het Hofstadtoneel opgevoerd).
In dat jaar werd ook "De stille lach" uitgewerkt.
In zijn studie "Uit de diepten der ziel" trachtte hij, op grond van Freuds denkbeelden, het verband tussen de droom en de stem van het geweten aan te tonen.
In 1921 verscheen de roman "Eva's -Jeugd", in 1925 werd hij mede-directeur van L. Simons en hij volgde deze in 1932 als directeur der Wereldbibliotheek op.
Andere werken zijn: "Tot het al-ene" "Droomspel des levens", "Tat tvam asi", "Oorlog, feestgelag ter ere van Erasmus" en "Het spiegeltje van Verius".
 
Gedurende de oorlog waren al zijn werken verboden en vertaalde hij Shakespeare 's "Hamlet" en een "Midzomernachtdroom".
Voorts scheef hij een studie "Het eerste nodige", waarin hij nog eens zijn gedachten over mens en maatschappij samenvatte.