Paarlen voor de zwijnen?
Door Jan Sterenborg nummer 136

Bespreking van het boek van Frans Duijf Commentaar Nummer 88.

In het boek Commentaar nummer 88 levert Frans Duijf een kritische beschouwing over het boek van Jo Hoen en Jène van Moorsel, Pater worden? Dat kan bij ons! Dit laatste boek handelt over het kleinseminarie Ravensbos in de periode 1945-1972. Ravensbos werd geleid door de paters O.M.I. 
Congregatio Missionariorum Oblatorum Beatae Mariae Virgini  Immaculatae
De congregatie van de Oblaten van de Onbevlekte Maagd Maria 

Opmerkelijk is dat binnen katholieke kringen er nergens kritiek op geleverd wordt. Dat is 'not done' want de katholieke kerk kenmerkt zich door het zijn van de enig ware moederkerk en een onfeilbare paus. Toch heeft Frans Duijf de moed gehad het zwaard des onderscheids op te rapen en zijn werk te doen. Ik ben hem er dankbaar voor omdat het mij ook weer trots maakt dat ik samen met hem op Ravensbos gezeten heb.
Sinds de kleine reünies in Eylders in Amsterdam georganiseerd door Willem Reijnders en Peter van Velzen zijn een aantal oud-Ravensbossers weer in mijn leven gekomen en hoewel dat in eerste instantie een vreugde was, bleken er ook diepe kloven overbrugd te moeten worden, echter eenmaal overbrugd is er sprake van een grote rijkdom en vreugde. De overbrugging blijkt noodzakelijk omdat we wel een gemeenschappelijk punt Ravensbos hebben maar de beleving en interpretatie van het gebeuren bleken vaak haaks op elkaar te staan. Toch is er geen groter vreugde dan dat je elkaar ondanks de verschillen weet te vinden, er ontstaan een meer volwassen gevoel en wederzijds respect. Maar dit is natuurlijk niet altijd zo, er zijn ook onoverbrugbare kloven en daarvoor geldt dat het pogen tot overbruggen belangrijk was.

Voorafgaande aan de publicatie van Pater worden? Dat kan bij ons! speelden m.i. drie zaken een belangrijke rol:
- Jène van Moorsel startte zijn roman Met omtrekkende bewegingen en een groepje mensen waaronder Frans Duijf en ikzelf hebben dat boek van a tot z doorgespit. Bij mij leverde dat een herleving van Ravensbos op, die zo sterk was dat het leek alsof ik gisteren daar geweest was.
- N.a.v. het boek van Jène ontstond op Pinksterdag 2009 de idee een reünie op Ravensbos te organiseren. Die dag was zo vredig en zonnig dat het als het ware aan me opgedrongen werd.
- Het idee van een reünie was nog niet geboren of er kwam een enorme golf publicaties in de pers op gang m.b.t. seksueel misbruik in de katholieke kerk. De berichten over misbruik werden zo talrijk dat de vraag ontstond of het wel zinnig was een reünie te organiseren.

In verband met de reünie had ik gehoopt dat we het boek Met omtrekkende bewegingen van Jène tijdens de reünie ten doop zouden kunnen houden en misschien was het mogelijk dit boek met aangevuld een kleine beschouwing over de paters OMI en hun werk in Nederland en een kleine subsidie aan te bieden als herinnering aan onze Ravensbostijd, mede omdat het verhaal van Jène ons deelgenoot maakt van een jongen die naar Ravensbos vertrekt om pater te worden. Een unieke beschrijving van de hele gang van kleinseminarie, noviciaat, grootseminarie en dan terugkomend op Ravensbos als leraar Nederlands en leider van de toneelclub Kameleon. Helaas mocht het niet zo zijn en is het manuscript ergens in een lade verdwenen.

Toch heb ik een heel goed gevoel aan de reünie overgehouden. De ervaringen met het boek van Jène gaven al nieuwe impulsen en de reünie bracht mensen ertoe ook weer dingen te ondernemen zo vonden Jo Hoen en Jène van Moorsel elkaar in het schrijven van een boek over Ravensbos.

Na de reünie werd aan mij de vraag gesteld of ik een zekere Jan niet kon opsporen. Ik had het voor de reünie al eens geprobeerd maar het leek wel of hij onvindbaar was. Je moet ook geluk hebben en zo kwam de geboorteplaats of woonplaats van Jan me weer voor de geest en via het internet en het telefoonboek kwam ik bij iemand met dezelfde achternaam en al heel gauw bleek dat zij de zus van Jan wel kende die een paar honderd meter verderop woonde. Een uurtje later belt ze mij terug met telefoonnummer en adres. En zo na nog weer een behoorlijke tijd kwamen we in contact en spraken we af elkaar te ontmoeten: de kleine reünie. Intussen was duidelijk geworden dat Jan misbruikt was op Ravensbos door een ons (naar later bleek, want Jan wilde de naam eerst niet noemen) bekende pater en dat hij een klacht had ingediend bij de commissie Deetman, niet om wraak te nemen maar om anderen die mogelijk ook met een klacht kwamen te ondersteunen. Bovendien was het een gegeven dat als de misbruiker overleden was men met ondersteunend bewijs van anderen moest komen.
N.a.v. deze gegevens heb ik het verhaal Het Incident geschreven dat Peter van Velzen direct op zijn website Ravensbos.nl plaatste maar dat later zonder opgaaf van redenen verwijderd werd. Gelukkig is dit verhaal opgenomen in het boek van Frans Duijf als bijlage negen. In bijlage acht staat de bemoeienis van Frans Duijf met het boek van Jène Met omtrekkende bewegingen.

Door toedoen van Chris van der Linden, ook een oud Ravensbosser, die ik zeer waardeer en hoog acht werd ik aangezet tot het schrijven van een soort Baantjerverhaal waarin allerlei Ravensbossers terugkwamen in een plot dat zich in Amsterdam zou afspelen. Het verhaal rolde als het ware uit de computer, het was een stroom die niet meer te stoppen was, echter op een gegeven moment hield die stroom ineens op en ik dacht: wat nu? Mijn eerste 'Unvollendete'? Misschien was het ook onervarenheid omdat als een verhaal zich voortzet het aantal karakters toeneemt en je ze ook als karakter in het verhaal overeind moet houden anders wordt het ongeloofwaardig. Pas een jaar later zou de stroom weer op gang komen na het verschijnen van Pater worden? Dat kan bij ons!. Het verhaal zou Ravensbossers in Amsterdam gaan heten met als ondertitel: Het geheim van de Westertoren. Terugkijkend bevat dit verhaal al een soort kritiek op het boek Pater worden? Dat kan bij ons! in die zin dat in het verhaal Ravensbos van kleinseminarie omgevormd wordt tot een vormingsinstituut met als eerste doelstelling: het opleiden van jongeren tot meer mens.

Maar goed toen Jène en Jo aan hun boek begonnen vroegen ze aan een aantal mensen mee te denken en hun van commentaar te voorzien op stukken die al klaarlagen. Ik was al terughoudend n.a.v. mijn ervaringen met het boek Met omtrekkende bewegingen van Jène. Toen echter het onderwerp seksueel misbruik aan de orde kwam werden de weerstanden zo groot dat ik me teruggetrokken heb uit de 'samenwerking' omdat ik geen 'loopgravenoorlog' wilde. Het vreemde was dat ik de schrijvers uit eerste hand informeerde over de klacht die liep tegen een pater OMI bij de commissie Deetman. Uit eerste hand en niet uit tweede hand zoals door de schrijvers gesuggereerd werd, m.a.w. tweederangs informatie. Er was sprake van totale ontkenning 'bij ons kwam dat niet voor' en relativering in de zin van 'misschien was het er maar eentje'. Ik heb de schrijvers gewaarschuwd dat als zij dit thema zo zouden behandelen zoals het er toen lag dat ik dan alles in het werk zou stellen het boek met de grond gelijk te maken, vandaar dat mijn naam in het voorwoord opduikt. Frans Duijf heeft denk ik als enige het hele proces uitgehouden en voor een indruk leze men bijlage twaalf van zijn boek. Deze bijlage is op zich al een boek waard en zal later blijken een van de hoogtepunten in onze Nederlandse literatuur te zijn. Werkelijk wat een dynamiek en terughouding en uithouding: prachtig!

Dit wetende kunnen we Frans Duijf in zijn commentaar niet zien als een outsider maar meer als een ervaringsdeskundige en dat maakt zijn commentaar nog meer bijzonder omdat het iets heel anders is of je een boek voor je krijgt waar je zelf, zeg maar, niets aan gedaan hebt of je krijgt een boek in handen waar je maanden aan meegewerkt hebt!
Het is ook iets heel anders iemand op een fout te wijzen die al opgemerkt was maar niet hersteld of dat je iemand maar op fouten wijst om maar op fouten te wijzen (als je een hond wilt slaan vind je gemakkelijk een stok). Subtiel maar wezenlijk onderscheid. Bovendien is het heel erg naar te moeten ervaren dat je eerst gevraagd wordt mee te werken aan iets en dat later blijkt dat er weinig of niets met je werk gedaan is, werkelijk een onchristelijke houding van de kant van de schrijvers.
Ik weet nog een naam van iemand die afgehaakt is in dit proces, dus ik was niet de enige. Dat Frans Duijf het volgehouden heeft, heeft iets onnavolgbaars, maar het heeft hem denk ik wel de juiste informatie gegeven om zijn boek Commentaar Nummer 88 te schrijven.

Als we alleen al de zestien bijlagen, de verantwoording, het literatuurregister en het personen- en zakenregister van het boek van Frans Duijf bekijken dan is hier zeker geen sprake van 'paarlen voor de zwijnen', maar van echte paarlen en wij als lezers, zwijnen door de waardevolle bijdragen aan de voorliggende thematiek. Het geeft ook een beeld van de mens Frans Duijf. Hoe gaat hij met de dingen om? 'Eert uw vader en uw moeder' zie de bijlagen veertien en vijftien.

De schrijvers van Pater worden? Dat kan bij ons!, spreken in hun aankondiging van hun boek over het weergeven van de verhalen uit eerste hand, het is jammer dat het bij citaten gebleven is en dat terwijl op het internet meer dan 200 bladzijden aan verhalen te vinden zijn. Verder 'vergeten' de schrijvers tot een evaluatie te komen van het hele Ravensbosgebeuren. De schrijvers gaan er impliciet van uit dat het een goede zaak was om jonge jongens van huis weg te halen en in een kloosteromgeving te scholen tot pater. De titel van hun boek laat zien dat vijftig jaar na dato er nog niets veranderd is. Ze zouden morgen opnieuw willen beginnen.
Het Boek van Frans Duijf trekt de problematiek de wereld in: alles wordt erbij gesleept ook wat nu actueel is en dat roept de evaluatie als het ware vanzelf op. De contrasten zijn enorm.
Frans Duijf laat hiermee ook zijn enorme belezenheid en eruditie zien, hij weet het ook te hanteren én hij is mild, want je voelt aan alles dat het ook anders geformuleerd had kunnen worden.

Na het uitkomen van het boek van Frans Duijf Commentaar Nummer 88 is paus Benedictus afgetreden. Je vraagt je af of er een samenhang tussen deze twee gebeurtenissen bestaat. Bij mij werkte de publicatie als een KO, ik was helemaal van de kaart, want het riep bij mij heel sterk die vraag naar evaluatie op: een soort totale afrekening van 2000 jaar en dan vooral op godsdienstig gebied. Gelukkig heb ik mezelf wat tijd gegeven en eerst het boek van Tymen Trolsky Het einde van de eeuwigheid, gelezen en daarna nog Nummer 21 van Frans Houben om dan nu zonder telefoonaansluiting en internetverbinding te komen tot dit commentaar op het boek van Frans Duijf.

'Mijn koninkrijk is niet van deze wereld' is een zin van Jezus die de laatste tijd steeds weer terugkeert en de vraag volgt: wat deden zijn navolgers? Zijn navolgers stichtten een koninkrijk, de katholieke kerk, van deze wereld, een machtsbolwerk met een onfeilbare paus aan het hoofd en zeer goed getrainde robots als zijn dienaren.

Frans Duijf haalt (blz. 264) een m.i. zeer wezenlijke zin aan uit het boek van Tymen Trolsky Het einde van de eeuwigheid: 'uit naam van alle kloosterlingen bied ik jou, en met jou alle seminaristen en oud-seminaristen, excuses aan. Ik bied jou en alle anderen excuses aan omdat de kerk zich je leven heeft toegeëigend. Ik geef het je hierbij terug. Beschadigd, scheefgegroeid, maar dat is het enige wat de kerk nog kan doen. Aan jou teruggeven wat je ouders ons hebben gegeven.'

Overigens denk ik dat het niet het enige is dat de kerk c.q. de congregatie nog kan doen. Want hoe kunnen wij de vruchten van ons lijden in de wereld brengen? Met andere woorden: welke middelen staan ons ter beschikking?

's Gravenmoer, 3 april 2013
Jan Sterenborg