Jène van Moorsel:  REIS IN DE BUITENBOUW


Inhoud: 
1)        Binnenbouw en buitenbouw
2)        Mens en materie
3)        De mens, een levend wezen
4)        De mens, stoffelijk en onstoffelijk
5)        De wil van de mens, vrij of onvrij?
6)        Het (zelf) bewustzijn van de mens
7)        Ruimte en tijd
8)        Een pas op de plaats
9)        Vanwaar komen wij?
10)        Onze herkomst op mikroniveau
11)        Onze herkomst op makroniveau
12)        Een tranendal
13)        De zin van ons bestaan
14)        Mijn pelgrimage
15)        Een leven in het hiernamaals?
16)        Een bewijs?
17)        Een ontmanteling
18)        Een voortbestaan na de dood?
19)        Hemel en hel
20)        Opnieuw een pas op de plaats
21)        God
22)        Nawoord






1 BINNEN- EN BUITENBOUW

Ik was een jongetje van vier jaar toen ik met mijn vader op een veerpont stond dat ons zou overvaren. Ik stond aan de reling en tuurde naar het water, in afwachting van het moment dat we van wal zouden steken. "Wanneer gaan we nu eindelijk?" vroeg ik mijn vader na enige tijd. "We varen toch al,"antwoordde hij. Ik keek op, maar… het waren niet wij die voeren, het was de oever aan de overkant die naar ons toe kwam gegleden.
Het moet mijn eerste ervaring geweest zijn dat er zo iets bestond als schijn en werkelijkheid.
Ieder heeft ervaringen als hierboven beschreven. Je staat in een lift met een venstertje in de deur. 't Is dat je in "werkelijkheid" weet hoe het zit, maar voor het oog kan het net zo goed zijn dat niet de lift beweegt , maar de verschillende etages die je in dat venstertje ziet voorbij komen.
Bewegen en stil staan zijn relatieve gevens. In de lift sta je stil, maar je beweegt ook. Als je op aarde stil staat, beweeg je, want de aarde beweegt om de zon. En de zon….enzovoorts.
Of je een ervaring hebt van bewegen of stilstaan, hangt af van het kader waarin je je als waarnemer bevindt. Als je in de hal van het flatgebouw staat, is het de lift die beweegt. En als je op de veerpont je blik verwijdt tot het hele landschap is het de veerpont die beweegt en niet de oever.
Bij een nadere bestudering, bij een bredere of diepgaandere visie blijken dingen anders te zijn. Dat brengt mij op de vraag: wat is schijn en wat is werkelijkheid? Of zijn er meer werkelijkheden? Of heeft de werkelijkheid vele gezichten? Is de werkelijkheid die wij kennen een aan onze kennisorganen aangepaste werkelijkheid?

De binnenbouw van iets kan worden bepaald door zijn buitenbouw. De begrippen binnenbouw en buitenbouw leerde ik kennen in de taalkunde.
De zin "Hij gaf het jongetje een schop" is een taalbouwsel. De alinea waarin deze zin voorkomt is op zijn beurt ook weer een taalbouwsel. We noemen nu "hij gaf het armoedig geklede jongetje een schop" binnenbouw ten opzichte van de hele alinea waarin de zin voorkomt. Die omringende tekst noemen we buitenbouw. De buitenbouw bepaalt nu de betekenis van de binnenbouw. Het maakt namelijk nogal wat uit of uit de hele tekst blijkt of die schop een trap onder het zitvlak van dat jongetje is of het gereedschap om mee te graven of te scheppen. En als we "schop" nemen in de tweede betekenis maakt het weer een verschil uit of die "hij" de vader is van dat ventje of een nukkige buurman die kinderen haat.

De buitenbouw voegt dus altijd iets toe aan de binnenbouw, een betekeniswaarde of een gevoelswaarde.
Met deze begrippen kun je alle sectoren van de "werkelijkheid" te lijf. Een foto van de voorgevel van je huis kan je met trots vervullen, maar als je de hele straat fotografeert, kan het zijn dat die voorgevel van jou naast andere riantere voorgevels verwordt tot een krakkemikkig lelijk bouwsel. De straat als buitenbouw bepaalt het aanzicht van jouw voorgevel, die in het kader van die straat binnenbouw is.
Twee kleine verhaaltjes bedenk ik even: ergens in het heelal staat temidden van miljarden sterren een ster die pas vijf miljard jaar geleden is ontstaan. Om die ster cirkelen een zevental planeten. Op een van die planeten beweegt zich op een plaats door die ster beschenen een organisme dat zich losmaakt van zijn omgeving en iets verderop een stuk anorganische materie haalt dat wordt opgenomen door dat organisme en andere organismen.
Het tweede verhaal: op een zonnige zomermorgen loopt Jan op "het tuinpad van zijn vader" naar de overkant om daar bij de bakker brood te halen. Even later zit hij met zijn ouders aan het ontbijt.
Het tweede verhaal is qua gevoelswaarde vertrouwd, het eerste schept kilte en vervreemding.
Hier twee beschrijvingen van hetzelfde voorval. Eerst vanuit de buitenbouw, het heelal, en dan vanuit de binnenbouw, ergens in een straat in een stad aan het begin van een gewone dag.     

Je kan de begrippen ook toepassen op tijdsgewrichten. We kunnen het idee hebben dat we thans in onze cultuur op technisch gebied het hoogtepunt van de beschaving hebben bereikt.
Maar in de buitenbouw van het hele tweede millenium staan onze computers en robots de volgende eeuwen in een museum en worden misschien met dezelfde meewarigheid bekeken als wij thans kijken naar de hoogpotige Remintons van de vorige eeuw.
Een ander voorbeeld: de duur van het zonnenstelsel wordt door wetenschappers geschat op tien miljard jaar. Daarvan zijn er vijf miljard vergleden. We hebben nog vier á vijf miljard te gaan. Zo bezien verhoudt onze beschavingsgeschiedenis van laten we zeggen zo'n 3000 jaar, zich tot die vier á vijf miljard als 3 op 4000.000. Binnenbouw ten opzichte van buitenbouw. Dan is die twintigste-eenentwintigste eeuw van ons op "beschavingsgebied" een rimpeling op een groot meer.

We geven dus aan het begrip binnenbouw de betekenis van "ergens binnen zijn", "deel van het geheel zijn", maar ook het vertrouwde, het alledaagse, het eerst voor de hand liggende.
De buitenbouw is dan het omvattende kader van iets, de ombouw ook die het binnenbouwvoorwerp relativeert of er een andere dimensie aan geeft. Beschouwing van de buitenbouw kan ons dus ook voeren naar de diepere lagen van de werkelijkheid. Naar de fundamenten ervan.
Natuurlijk is iets niet op zich binnenbouw of buitenbouw. Het gaat om een manier van kijken.


Wat wil ik met deze benadering van de werkelijkheid?

Ik wil een poging doen - heb de euvele moed -  om met voornoemde begrippen binnenbouw en buitenbouw het verschijnsel mens te ontleden om te kunnen vaststellen dat alles wat daarin op het eerste gezicht zo vertrouwd is, bij nader inzien de diepte van een mysterie krijgt. Als wij de luiken naar onze buitenbouw open zetten, zal dat in eerste instantie een effect van vervreemding teweeg brengen, maar ons mogelijk dichter brengen bij wat wezenlijk zijn, maar wat in de hectiek van het dagelijks leven wordt ondergesneeuwd.
Daarbij wil ik proberen niet "zweverig" over te komen, maar mij zoveel mogelijk laten leiden door de ratio en wat langs empirische weg in de verschillende wetenschappen is vastgelegd.

2 DE MENS EN MATERIE.

De eerste hindernis op mijn reis: ik moet iets van natuurkunde en scheikunde begrijpen. Daar ben ik niet goed in. Ik had in mijn midddelbareschooltijd niks met bètavakken. Tijdens de lessen wiskune waren de enige cijfers die mij interesseerden de cijfers van de klok waarlangs de wijzers zich traag, veel te traag bewogen. Maar nu!
Het kan dus: dat je geen "bètaknobbel" hebt maar op latere leeftijd toch een hartstochtelijke belangstelling kunt krijgen voor de diepere kennis van de natuur. Dat je jaloers bent op mensen die schijnen te vatten dat de tijd kan vertragen, die mogen afdalen in de quantumwereld, die op zoek zijn naar higsdeeltjes om iets te kunnen begrijpen van de overgang van pure energie naar deeltjes-met-lading.
Die materie! Daar moet ik in afdalen en doen alsof ik er verstand van heb.

De mens gaat dagelijks om met de materie. Is zelf voor een deel ook materie. We ervaren die materie als vast, vloeibaar of als gasvormig. Maar dat is een werkelijkheid in relatie tot onze in de evolutie gegroeide zintuigen. Als we aan de hand van fysici afdalen in de materie komen we terecht in de wereld van de mikrokosmos, van de atomen, van atomaire en subatomaire deeltjes, alles zo klein dat ons vermogen om dat ons voor te stellen erbij te kort schiet.
Zo is doorgaans de voorstelling van zaken: de atomen, de energiedeeltjes waarmee alle stoffen zijn opgebouwd zijn kleiner dan één miljoenste millimeter. In het atoom zit de atoomkern die op zijn beurt weer tienduizend keer kleiner is dan het atoom. Om die atoomkern cirkelen in een electro-magnetisch veld de elektronen. Dat gebied waarin die elektronen rond warrelen is ten opzichte van de atoomkern ontzettend groot. De volgende vergelijking pleegt men te maken: als we ons de kern voorstellen als een pingpongballetje, midden op het veld van een voetbalstadion, dan kan het elektronengebied tot achter de tribunes reiken  reiken. Een atoom is dus voor zo'n 99% leegte. Dat gebied waarin de elektronen cirkelen, is dus een soort "leegte".
Vanuit een bepaalde optiek zijn wij met de dingen om ons heen zo goed als geheel…leegte. 
Ons lichaam, de dingen die we dagelijks zien aanraken: zo vertrouwd,  maar tegelijkertijd deel uitmakend van een wereld waarvan wij ons geen voorstelling kunnen maken. Ook fysici tasten nog voor een groot deel in duisternis. Theorieën zijn voortdurend aan herziening toe.
Men is op zoek naar nog kleinere deeltjes als die al bekend zijn. Termen vallen er als quarks, trillende snaartjes.
We komen met deze beschouwing in de wereld van de quantummechanica, waar begrippen uit de klassieke natuurkunde de lading vaak niet dekken. Elektronen bijvoorbeeld kunnen zich soms voordoen als deeltjes, soms als golven, iets wat in de klassieke natuurkunde voor onmogelijk wordt gehouden. Processen in die wereld verlopen afhankelijk van hoe en wanneer je kijkt en meet. Een verklaring: kijken is gebruik maken van licht. Licht bestaat uit fotonen (ook in de vorm van deetjes en/of golven). Die veranderen op mikroniveau voortdurend de structuur van het object dat bekeken of gemeten wordt.
Het een en ander heeft te maken met de uiterste grenzen van de mikrowereld die men steeds al rekenend en experimenterend meer en meer tracht te exploreren. 
Het is een bizarre Alice-in-Wonderlandachtige wereld die hier aan de orde is : deeltjes die overal doorheen vliegen, deeltjes die gescheiden worden en dan met elkaar op mysterieuze wijze verbonden blijven, zo zeer dat wat het ene deeltje ondergaat zich ook aan het andere voltrekt, elektrische stroompjes die tegelijk linksom en rechtsom kunnen gaan.
Het een en ander betekent dat we eigenlijk woorden als deeltje, baan, leegte, cirkelen, warrelen tussen aanhalingstekens moeten zetten.
En waar hebben we het hier over? Over ons lichaam dat in zijn binnenbouw ons zo vertrouwd is: onze botten, onze huid, ons bloed. Over de voorwerpen die die we in ons dagelijks leven voortdurend gebruiken: het  bestek waarmee we eten, de pen waarmee we schrijven, de kleren die we dragen, het vervoermiddel waarmee we ons voort bewegen.

3 DE MENS,  EEN LEVEND WEZEN

Biologie. Wij hadden op onze middelbare school geen biologie. Wel menskunde, maar dat was een onderdeel van wat heett:  natuurlijke historie. Dat vak ging over planten en dieren. En ook over de mens. Maar ik meen me te herinneren dat hij met zijn knoken en huid maar een heel summiere behandeling kreeg.

De mens is meer dan een brok materie. Hij is een levend wezen. Ook dat is in zijn binnenbouw vertrouwd. Hij kijkt, hoort, voelt, heeft  het warm, koud, voelt pijn, lusteloosheid.
Maar als we ons met dat ons zo eigen lichaam in de buitenbouw begeven, komen we in de regionen van biologie en medische wetenschap. Ik hoef  niet uit te leggen wat daar nog te exploreren valt.
Wat weten we van de constellatie van ons lichaam? Van ons DNA met zijn  3 miljard bouwstenen? Van de genen, die mikroskopisch kleine eenheden, die de "recepten" zijn voor het vervaardigen van eiwitten, de bouwstenen van het leven? Wat wacht daar niet op duiding en catalogisering! Zoveel raadsels dienen zich daar nog aan.
Bijvoorbeeld hoe doen die genen precies hun werk? In hoeverre fungeren ze zelfstandig, in hoeverre in samenhang met andere? Hoe is de wisselwerking tusssen de genen en de eiwitten? Waarom kan één en hetzelfde gen in levende wezens soms verschil in de eiwiten teweeg brengen? Of in geestelijke eigenschappen? Bijvoorbeeld het zogenaamde foxP2-gen dat zich in apen bevindt en ook in de mens maar daar invloed heeft op het vermogen om te spreken. Waarom is overigens  het genenpatroon van de aap nauwelijks verschillend met dat van de mens? Waarom hebben de mens en de muis bijna evenveel genen? Waarom staan de zestien- duizend genen van het onnozele fruitvliegje in geen verhouding tot de maar 25 duizend van het organisme van de mens? Waarom lijken heel wat genen voor spek en bonen in de chromosomen te zitten? 
En dan hebben we het nog maar alleen over onze lichaamseigen genen. Recente theorieën spreken over de genen van de honderd biljoen bacteriën die zich in ons lichaam bevinden en daarmee de identiteit van het organisme dat we zijn, mee bepalen. En er zijn studies die aantonen dat externe factoren als voeding, opvoeding en milieu invloed kunnen hebben op de werking van genen in het lichaam.
Ja, niets is zo vertrouwd als ons lichaam, maar in zijn buitenbouw blijkt het een "Fremdkörper" te zijn, een landschap als een werelddeel waarvan we in ons blikveld slechts enkele paden zien.

Anders gezegd: ik ervaar mijn lichaam als iets wat niet - of niet helemaal - samenvalt met mij als subject. Je kunt niet zeggen: ik héb mijn lichaanm, maar ook niet:  ik bén mijn lichaam. Mijn lichaam is ten opzichte van mijn meest individuele "ik" (subject)
voor een deel óbject: letterlijk: iets-wat-tegenover-mij-ligt als voorwerp van beschouwing.

4 DE MENS STOFFELIJK EN ONSTOFFELIJK

In de jaren van mijn opleiding op katholieke scholen was dat een axioma: de mens bestond uit lichaam en ziel. De ziel was het belangrijkst. Die wiekte bij je dood op naar de hemel of daalde af in vagevuur of hel. Het lichaam was maar "broeder ezel". Je moest het natuurlijk wel wassen en kammen en zo, maar er niet al te maltentig mee omgaan. Want eenmaal dood verwerd het tot een slijmerige zak botten. Ik herinner me nog boeken die je tijdens een retraite moest lezen. Die verhalen daarin logen er niet om. Ze gingen bijvoorbeeld over een jongen - een jongeling! - die zich tijdens een carnavalsfeest te buiten ging aan liederlijk gedrag en in de dagen daarna de builenpest kreeg. Of over een lichtzinnig meisje - een jonge maagd! - met een "wonderschoon gelaat" dat stierf en later om een of andere reden opgegraven moest  worden en met dat zelfde gelaat , nu in staat van ontbinding, afzichtelijk was geworden.
Over zielen hoor je in het huidige tijdsbestek niet veel meer spreken. Wel over de geest van een mens, maar hoe die zich verhoudt tot het puur lichamelijke is een onderwerp van veel studie.
In een levend wezen (ook in een dier en mogelijk in een plant, maar ik beperk mij tot de mens) valt er een onderscheid te maken tussen een stoffelijk (tastbaar) en een onstoffelijk (niet-tastbaar) element. Stoffelijk: botten, aders, huid. Onstoffelijk: denken, interpreteren, namen geven.
Als we het stoffelijk en onstoffelijk element in de mens ter sprake brengen, moeten we ons vooral concentreren op wat er plaats vindt in de herseninhoud.
In die grijze, roodachtige brij van zo'n anderhalve kilo die vele miljoenen cellen bevat, worden in een razende activiteit van chemisch-elektrische werkingen via zintuigen prikkels opgevangen, doorgegeven, gecorrigeerd, geselecteerd, voor verdere verzending in patronen omgezet, en dan: geïnterpreteerd, geabstraheerd en vervolgens in samenhang met gevoelens en na redenering en beslissing opnieuw geconcretiseerd en gematerialiseerd, al dan niet als reacties op wat eerder aan signalen is binnengekomen en aan ervaring opgedaan. Ik heb het hier over zo iets als het pakken van de schaar om mijn teenagels te knippen of het oppompen van mijn fietsband. Het geheel is een proces van stoffelijk naar onstoffelijk en van onstoffelijk terug naar stoffelijk.

Neurologen kunnen in de binnenbouw van hun wetenschap ver doordringen in de functie die hersenen hebben bij geestelijke activiteiten van de mens. Niet alleen puur lichamelijke reacties, maar ook geestelijke activiteiten zijn voor een groot deel te lokaliseren in ons brein.
Zo is er een gedeelte dat bij scantechnieken "oplicht" bij gebruik van taal, een ander gedeelte reageert bij rekenen, verbindingen in het neuronengebied vinden plaats bij kunstzinnige creativiteit. Ook zo iets onstoffelijks als het geheugen heeft onder ons schedeldak zijn plaats.

Storingen in de hersenactiviteit kunnen de persoonlijkheid van een mens vernevelen, soms doen verzinken in een toestand waarin zij de ervaring hebben in een ander dimensie van de werkelijkheid terecht te komen.

Men kan in dezen aanwijzen, signaleren, maar onbegrijpelijk zal het mijns inziens blijven het feit dat abstracties als taalkundige en rekenkundige systemen, stedebouwkundige projecten, planologische uitwerkingen, artistieke vormgevingen, aanduidingen voor historische perioden, geestelijke stoornissen, gemoedsbewegingen gelokaliseerd kunnen worden in de moleculaire (dus stoffelijke, tastbare) structuur van de hersenen: abstracties op lokaties!
Concreet: "vijf" bestaat niet in de stoffelijke wereld. Ja, vijf taartjes, maar dat element vijf is "bedacht" door de mens om de werkelijkheid van dat gebak te ordenen, bijvoorbeeld om te voorkomen dat er bij de verdeling ervan ruzie ontstaat. "Vijf", "zes", "zeven" enzovoorts bestaan in het stoffelijke slechts als inkt of als tekentjes op de toetsen op mijn toetsenbord. En toch is het abstracte, het onstoffelijke, hier gebonden aan iets lokaals, iets stoffelijks.
Tot in het genenbestand is geestelijke activiteit in de stof werkzaam. Ik grijp nog even terug op dat gen foxP2, dat zich zowel in apen als mensen bevindt, maar alleen in het laatste geval de mogelijkheid tot spreken biedt.
Zullen we toch ooit een verklaring vinden voor deze "osmose" van stoffelijk en onstoffelijk? Als we meer weten over de overgang van pure energie naar materie? Als we de aard kennen van de "leegte" tussen atoomkern en elektronen? Als…Ik betwijfel het.

Als we aldus de buitenbouw van ons vertrouwde mens-zijn beschouwen, kijken we dus aan tegen een object dat ons "vreemd" is. We zijn bij nader inzien een raadsel voor ons zelf. Wij kunnen heel wezenlijke dingen van ons zelf verstandelijk niet behappen.
Sterker ervaren we dat als we onze gedachten laten gaan over wat we noemen onze vrije wil.

5 DE WIL VAN DE MENS, VRIJ OF ONVRIJ?

"Kan-niet ligt op het kerkhof en wil-niet ligt er naast". "Wie niet horen wil, moet maar voelen". "Waar een wil is, is een weg." Dat kregen we in onze jeugd meermalen te horen. Je werd gemaand je "wilskrachtig" tegen je slechte neigingen te verzetten.
Dat een mens een vrije wil had, was toen aan geen enkele twijfel onderhevig. Maar later als je je leven aan het leiden bent, en je leert het een en ander over opvoeding en milieu en men komt met een term als onderbewustzijn aandragen en je hoort al eens iets over Freud of Jung, dan vraag je toch af: hoe vrij ben je in je wil? Zeker als je ervaart dat je zoveel dingen in het leven doet of laat die je eigenlijk niet wilt.

Ik moet naar een sollictatiegesprek. Door allerlei omstandigheden ben ik te laat. Ik nader met mijn auto een verkeerspunt waar ik zie dat het licht op het punt staat op rood te springen. Wat zal ik doen? Deze keer doorrijden of stoppen? In de weinige tijd die mij rest, probeer ik de situatie die zich aan mij voordoet, te overzien. Hoe druk is het? Zijn er flitspalen te bespeuren? Zie ik politie in de buurt? Ik maak gebruik van de kennis die ik al heb. Verkeerslichten op een druk punt als dit springen slechts na lange tijd op groen. Bij de firma waar ik ga solliciteren heeft men mij in een telefoongesprek meegedeeld vooral niet te laat op de afspraak te komen. De baan die men mij in het vooruitzicht heeeft gesteld ambieer ik al sinds al lang.
Ik neem eenbeslissing: ik rijd door. Ik waag het erop.
Maar …eenmaal vlak bij de op rood springende lichten breng ik mijn auto toch tot stilstand.
Wat heeft mij hiertoe aangezet? Iets buiten mij om waarvan ik nu ineens kennis neem? In hoeverre hebben de overwegingen hierboven een rol gespeeld?
Wat speelde mogelijk mee waarvan ik mij niet bewust was? Misschien een ervaring van een jaar tevoren toen ik door een slordigheid in mijn rijgedrag in aanraking kwam met de politie, waarbij de afhandeling van zaken heel onprettig verliep?  De verslagenheid die mij beving toen indertijd een kind van vrienden door een onverantwoorde manoeuvre van een automobilist om het leven kwam?  Speelde in mijn karakter iets  mee dat geen wetten wil overtreden, een gevolg van de opvoeding door mijn ouders die net als hun voorvaderen eerbied hadden voor elk gezag? Is iets van die houding neergedaald in de genen die mij zijn overgeleverd? Speelde de ergernis mee om een losbollige neef die onlangs als zijn mening te kennen gaf dat je met op rood springende verkeerslichten creatief moest omgaan? 
Misschien moet ik in mijn verhaaltje nog meer voors en tegens bedenken die verklaren waarom ik bij die verkeerslichten op de rem ging staan. Misschien het feit dat het regende hetgeen mij het zicht enigszins belemmerde. Of een nare droom die nacht, waardoor ik enigszins verward ontwaakte welke gesteltenis de toon zette voor mijn gedrag die aanbrekende dag.

Heeft de mens een vrije wil? Ja natuurlijk, ben je geneigd te zeggen, maar als je erover gaat nadenken kom je in het moeras van je overpeinzingen al gauw in de problemen.
Vooraf moeten we ons even realiseren dat het hier over een zeer complexe materie gaat.
We moeten al beginnen met een onderscheid te maken tussen verstandelijk handelen en intuïtie.
Verstandelijk handelen is: je laten leiden door argumenten. Dat vindt het duidelijkst plaats op het vlak van bijvoorbeeld techniek, logistiek, landschapsbeheer.
Onder intuïtie verstaan we inzicht in een situatie zonder dat er een redenering aan vooraf moet gaan of tegen de redeneringen van anderen in.
Maar in de praktijk van ons geestelijk functioneren de grenzen niet zo scherp, want als je je verstand gebruikt, ben je je niet altijd van argumenten bewust. En bij intuïtie wordt de menselijke activiteit van het denken natuurlijk ook niet helemaal uitgeschakeld.

De vraag die we ons moeten stellen is: in hoeverre is er sprake van vrije wil in die gevallen waarbij we het idee hebben absoluut vrij te zijn geweest in onze handelingen? Anders gezegd: wanneer is ons doen en laten alleen het resultaat geweest van overwegingen. Van puur eerst denken en dan ten gevolge daarvan tot een daad overgaan.

Het gaat hier natuurlijk niet zozeer om vragen als: zal ik met de auto of met de fiets naar mijn werk gaan? Of: zal ik mijn computer op de studeerkamer of in de woonkamer zetten. Of: zal ik wel of geen paraplu meenemen op mijn wandeling. Nee, de vraag of je in volle vrijheid handelt doet zich vooral voor in de grote zaken des levens: zal ik wel of niet met Pieter-Jan of Marie Louise in het huwelijk treden? Zal ik wel of niet van werkkring veranderen? Zal ik het hufterige gedrag van die ambtenaar wel of niet door de vingers zien? 

 Hoe komt zo'n wilsact tot stand? Gaat dat als volgt? Evenals elk levend wezen voelen wij in ons de drang om ons in ons milieu en in relatie tot anderen te handhaven. Die drang zetten wij met ons brein om in kennis waarbij we rekenig houden met de situatie waarin we ons bevinden. Dan besluiten wij tot een bepaalde handeling en geven aan onze motoriek het bevel tot actie.

Is dat zo?

Soms misschien.

De  mens handelt in veel of de meeste gevallen instinctief of intuïtief en minder rationeel dan hij denkt. In zijn bewustzijn heeft hij het idee dat hij in die gevallen een keuze heeft gemaakt tussen verschillende mogelijkheden. In zijn bewustzijn! Maar het is in de wetenschap van de psychologie al proefondervindelijk bewezen dat in de hersenen de prikkel die tot handelen aanzet soms al in tienden van seconden éérder heeft plaats gehad dan de verstandelijke activiteit van het beslissen. Wat gezien en ervaren wordt als een wilsact vooraf, is dan eerder een bewustwording van wat men vanuit een niet-rationeel deel "gekozen" heeft.

Het een en ander hangt samen met de structuur van de menselijke hersenen.

In de evolutie van de mens van eencellig wezen via dierlijk wezen via primaat via homo erectus via homo habilis naar homo sapiens is zijn brein uitgegroeid tot zogenaamde kleine hersenen en grote hersenen.
De kleine hersenen worden ook wel reptielenbrein genoemd: het r-brein. Hierin zijn o.a. het vermogen tot ademhalen, de hartslag en waarschuwingssystemen gesitueerd. Dit r-brein hebben we gemeen met de reptielen; ze zijn koudbloedig en kennen geen emoties, ook niet tegenover hun jongen. Wel van emoties als angst en agressie is sprake op een volgende trap van evolutie van het levend wezen, namelijk in het onderste gedeelte van de grote hersenen. Het betreft hier het domein van de zoogdieren. Bij deze warmbloedige wezens is sprake van moedergevoelens en sociale gedragingen tegenover andere levende wezens. We spreken hier over het e-brein.
En dan komt de ontwikkeling van het s-brein, het symboolbrein dat toebehoort aan een hogere trap van zoogdieren. In miljoenen jaren heeft zich over de grote hersenen een zogenaamde voorhoofdskwab ontwikkeld, waarin bij de mens de basis ligt voor denkactiviteiten en zelfbewustzijn. Symbool betekent hier iets buiten ons of in ons, omgezet in kennis: bewustwording-van-het-feit-dat-het-er-is.
Deze drie soorten brein functioneren in de mens als een eenheid waarvan de onderdelen in de meeste gevallen moeilijk af te tekenen zijn.

Hier moet het begrip onderbewustzijn aan de orde komen, een begrip, gehanteerd in de psychologie die opkwam in de loop van de negentiende eeuw. De menselijke geest is voor te stellen als een vat dat gedeeltelijk met water gevuld is. Boven de watespiegel bevindt zich het gedeelte waarin je bewust bent van je zelf, je situatie, je daden.: ik ben er, ik doe nu iets. Onder water echter liggen onbewuste ervaringen, verlangens, frustraties die oorzaak kunnen zijn van angsten, voorkeuren, antipathieën waarvan je de herkomst uiteraard niet kent. Bijvoorbeeld je hebt last van claustrofobie  omdat je bij de geboorte in het geboortekanaal klem hebt gezeten.
In de menselijke geest kunnen dus allerlei strevingen aan de gang zijn die voor een groot deel bij wijze van spreken buiten ons om hun gang gaan. Het betreft hier niet alleen stuwende maar ook remmende "motieven". Net als bij een seriemoordenaar kan ook in de kelder van ons onderbewustzijn een grommend beest zitten dat echter niet naar boven komt omdat er in ons doorgaans tegelijkertijd andere ook vaak even onbewuste factoren zijn die dat verhinderen.
De belangrijke vraag blijft: is een menselijke daad als bij een mechaniek het dwingend resultaat van de optelsom van allerlei motieven als hierboven beschreven? En is dat in principe te signaleren? Wordt een mens in zijn doen en laten geregeerd door wat in hem aan stoffelijks en onstoffelijks is opgeslagen of kan hij dezen volledig souverein functioneren?
Maar dan is weer de vraag: wat betekent souverein hier? Helemaal los ván en zwevend bóven het menselijk organisme? Stel dat dat kan, moet je dat dan zien als ideaal. Ben je dan nog mens?

We kunnen tot nu toe vaststellen: bekijken we de buitenbouw van de mens als materie, als levend wezen, als denkend en en in overeenstemming daarmee als handelend wezen, dan komen we terecht in diepten waarvan we niet de bodem bereiken. En misschien wel nooit.

Zoekend naar de allerdiepste laag in ons zelf met behulp van de begrippen binnenbouw en buitenbouw en subject en object waag ik mij aan een beschouwing van ons zelfbewustzijn.

 6 HET (ZELF)BEWUSTZIJN

Ik herinner mij een televisie-uitzending over een kunstenaar. Die zei: "Ik vraag me af of als ik dood ben of dan het heelal met zonnestelsel en planeten en dus aarde nog bestaat." Meestal vind ik kunstenaars een beetje gek. Nou ja, een beetje? Ze hebben vaak een vies pak aan.
Ze hebben soms een haardos als een ragebol. Ze hebben soms vier vrouwen. Ze kliederen verschrikkelijk met hun verf . Ze schilderen soms een doek met enkel rood. Ze snijden bij zichzelf soms een oor af. Ze doden een hospita om er vervolgens over te gaan dichten.
Maar, je zult het gek vinden, deze kunstenaar met zijn opvallende uitspraak kon ik niet gek vinden. 
Op naar het bewustzijn van de mens.

Verschillende geledingen in de mens, in mijzelf,  kon ik tot nog toe als een object bekijken als buiten iets mijzelf. Maar waar kan ik dat niet meer? Waar ben ik in mijn allerindividueelste "ik"? En waar kan dat "ik" niet meer tegen een buitenbouw aankijken?
We komen in de regionen van mijn bewustzijn.
Tot op zekere hoogte kan ik mijn bewustzijn nog zien als object: ik ervaar dat ik er ben. Maar ergens houdt het op: bij mijn basis-van-waaruit, daar waar het "ik" een "gegeven" wordt.
Het  ultieme zelfbewustzijn kun je vergelijken met het kijken. Je kunt alles bekijken, behalve het kijken zelf. Of je kunt alles bezien behalve je ogen. Ja, indirect: in de spiegel of op een foto, maar nooit rechtstreeks.

Alles wat we zien, kennen en ervaren gebeurt vanuit ons bewustzijn. In feite is heel de werkelijkheid buiten ons subjectief. In de oudheid gold al het gezegde: "quidquid recipitur modo recipientis recipitur". Vrij vertaald als: alles wordt ontvangen op de wijze van de constitutie van de ontvanger. Die constitutie is: het bewustzijn. Nee, míjn bewustzijn. Alle werkelijkheid is de door mij ervaren werkelijkheid. In het bewustzijn van de ander kan ik immers niet binnentreden.
Er is in een zeker opzicht nauwelijks verschil tussen de werkelijkheid van "alledag" en de werkelijkheid die ik in mijn dromen ervaar. Die werkelijkheid van "alledag", van de binnenbouw dus, kan in principe net als bij de droom een schijnwerkelijkheid zijn.
Het begint al met onze zintuiglijke waarnemingen. Bestaan de verkeerslichten uit rood, oranje en groen? Nee, want ik zelf onderscheid rood, oranje en wit. Jullie groen is mijn wit. Even wit als wit wit is. Trouwens of mijn rood en mijn oranje jullie rood en oranje zijn, is maar de vraag. Kleuren bestaan niet in het "echt". Het zijn "vertalingen" van de verschillende lichtfrequenties zoals die aankomen in de hersenen. Een tomaat is in die zin niet rood en een citroen niet geel. Ze worden pas respectievelijk rood en wit als ik ze zie.
Stel je zit op een terras. Je hebt het idee - nog nooit heb je eraan getwijfeld - dat je met je "geest" de afstand tussen jou en de boom iets verderop overbrugt. Je komt al kijkend in zekere zin bij die boom. En als je dan in de toren iets verderop een klok hoort luiden, dan situeer je de klanken op een zekere afstand buiten je. Maar dat is allemaal "schijn". In werkelijkheid treed je kijkend en luisterend helemaal niet buiten je zelf. Je blijft in de beslotenheid van je lichaam - in een soort afgesloten zuil - waar je netvlies prikkels opvangt en doorgeeft naar binnen en je oor met geluidstrillingen hetzelfde doet, een proces dat je ondergaat en niet beheerst.
Het lijkt wat kort door de bocht,  maar er is geen essentieel verschil tussen een boom die je op de televisie ziet en de boom die je "in werkelijkheid" ziet. In beide gevallen zie je de boom niet "onmiddellijk" maar "middelijk". Het enige verschil is dat er in het geval van de boom-op-de-televisie twee "transformatoren" zijn, namelijk je zintuig en het TV-toetsel en in het geval waarin je de boom "echt" ziet maar één. Ook is er wat dat betreft geen verschil tussen de beelden die je ziet in je droom en die je ervaart als je in wakende toestand bent. In beide gevallen is er sprake van niet meer dan een proces in je hersenen. Dat de beelden in je toestand van waken van buiten komen, "denk" je maar.
En ik zei het al: alles ervaar ik vanuit mijn bewustzijn.  Stel dat ik jullie zeg: ik ben de enige die met zijn bewustzijn bestaat; alles, jullie incluis, is slechts het gevolg van prikkelingen in mijn hersenen. Het is niet aardig van mij om dat te zeggen, maar in wezen kun je daar niets tegen inbrengen. Ja, jij zelf weet dat het niet zo is - neem ik maar gemakshalve aan - en je kunt mij en alle andere  mensen op jouw beurt ook tot fantomen terugbrengen. Alleen wat mij betreft zit je ernaast. Maar dat weet alleen ik.

Omdat ik toch al verwaten bezig ben, kan er  het volgende nog wel bij: gezien het bovenstaande ben "ik" het middelpunt van het heelal. Ik alleen: het middelpunt van het heelal. De vraag is of als ik dood ben - ik weet niet of ik wel dood ga want tot nog toe heb ik alleen fantomen zien dood gaan - of het heelal en alles wat er erbij hoort,  dan nog wel bestaat.

Opnieuw: als ik mij begeef in de buitenbouw van mij zelf, tot in de vezels van mijn wezen, is alles in mijn bestaan een raadsel. 

7 RUIMTE EN TIJD

Ja, wat zijn ruimte en tijd? We zitten er midden in, maar probeer maar eens te omschrijven wat ruimte en tijd nu eigenlijk zijn. Ruimte gaat nog wel, maar tijd…?!
Tijd kun je vanuit verschillende perspectieven bekijken. Je hebt de tijd zoals je die als individu "beleeft": de tijd die in de jaren van je jeugd tijdens vakanties veel sneller ging dan tijdens het schooljaar en vooral heel traag bij saaie lessen. En dan de tijd van Einstein die ook heel traag kon verlopen maar dan wegens een andere oorzaak. En dan had je nog de tijd van de geschiedenisboeken, die in moten werd gehakt. Trouwens:  tijd schijnt ook nog money te zijn.

Ruimte en tijd: voor de wetenschap en de wijsbegeerte een weerbarstige materie. Begin maar eens met de vraag: is tijd eeuwig of niet eeuwig? En is ruimte begrensd of niet begrensd? Welke van de mogelijkheden je ook kiest, ze gaan je begrip te boven. Want eeuwig en onbegrensd moet je je dan voorstellen als zonder begin en einde. En dat kun je niet. En niet eeuwig en begrensd kun je je ook niet voorstellen, want dan heb je wel een begin en een einde, maar wat is er dan vóór dat begin van tijd en ruimte en ná dat einde ervan. Gewoon niks zul je zeggen. Maar niks, geen tijd en ruimte, dat kunnen we ook niet bevatten.
Sommige natuurkundigen hoor je dan zeggen: ruimte kan eindig zijn zonder dat er een grens is, zoals de figuur van een cirkel. Alsof die gedachte ons verder helpt!

Het "nu" voorzover wij dat ervaren, kunnen wij niet los zien van ons bewustzijn. We ondergaan dat "nu" als een stroom. Als ik denk: "nu", dan is het al voorbij en verleden tijd geworden. Aldus bezien bestaat meer dan 99% uit verleden en toekomst waarbij we dan moeten opmerken dat dat verleden bestaat in ons geheugen en dan in veel gevallen niet eens zoals wij denken dat het bestaat omdat onze persoonlijkheid er selectief mee omgaat, terwijl de toekomst in onze geest zich voordoet in verwachtingen die in vele gevallen niet reëel zijn en/of niet uitkomen. Bovendien interpreteren anderen ons verleden en wat we te verwachten hebben in de toekomst ook weer verschillend. Het is in zekere zin dus "verloren tijd", als je te veel neuzelt over je verleden en toekomst.
Tijd is "worden". Maar we geven er iets statisch aan in zoverre we "heden" in onze appreciatie aanvullen met het wat recente verleden en de niet al te verre toekomst. Bijvoorbeeld de dag waarop een feest plaats vindt, de week waarin we vakantie hebben, de maand waarin een verbouwing van ons huis plaats vindt. Ik zeg maar wat, want voor iedereen is dat "heden" natuurlijk verschillend. Quidquid recipitur…

Ruimte lijkt in tegenstelling tot tijd wél statisch. Ja, dat lijkt zo, maar in feite "wordt" ruimte ook. Alles "wordt en "verwordt'. Het nog steeds uitdijend heelal "wordt". De zon "wordt" nog steeds en is tegelijkertijd aan het "verworden" tot een uitdovende ster. De zichtbare werkelijkheid is een werkelijkheid van een gesloten circuit van ontelbare moleculen die zich voortdurend schikken tot andere samenstellingen.Waarbij nog komt dat ruimte gerelateerd is aan de persoon die die ruimte ervaart. Twee dikke mensen in een twijfelaar hebben minder ruimte in het zelfde bed als twee dunne.

Maar los van dat alles: ik heb in het hoofdstuk over het bewustzijn waar ik sprak over de boom op het plein en de klok in de toren proberen aan te tonen dat ruimte in onze appreciatie een omzetting is van prikkels in onze hersenen.
En de de vraag is gewettigd in hoeverre ruimte en tijd corresponderen met de werkelijkheid-buiten-ons. Of die niet samenhangen met de structuur van ons bewustzijn.

Zo heb ik  tijd en ruimte, zoals beleefd in onze binnenbouw, door al die bespiegelingen van hierboven in een bevreemdende buitenbouw proberen te plaatsen.

In de theoretische natuurkunde en bij sommige filosofen worden tijd en ruimte in één samenhang gezien. Je kunt zeggen: materie heeft ruimte nodig en daar materie per defintie verandert, heeft die materie dus ook tijd nodig. Op grond daarvan denk ik te begrijpen: ruimte en tijd zijn met elkaar verbonden in hun relatie met de materie. En dan: zonder materie geen ruimte en tijd.
Natuurkundigen als Einstein leren ons dat we in een tijdruimtedimensie leven. Dus in een driedimensionale ruimte van hoogte-lengte-breedte, gecombineerd met de tijd. De combinatie lengte-tijd is bijvoorbeeld duidelijk als we zeggen: de afstand Utrecht-Amsterdam is drie uur fietsen.
Tijd wordt bepaald door de ruimte. De ster Alpha Centauri, de naaste buur van onze eigen ster "de zon",  staat 4.3 lichtjaar van ons vandaan. (Dat betekent dat het licht van die ster er 4.3 lichtjaar over doet om ons te bereiken.) Dus als er op Alpha Centauri iets van grote omvang gebeurt, een dramatische botsing bijvoorbeeld, dan zie we dat pas - als we de goede optische apparaten hebben - 4.3 jaar later. Die tijd wordt dus bepaald door de afstand in de ruimte.
Het meest verwijderde object dat ons bekend is, is een quasar (een melkwegstelsel in het begin van zijn ontwikkeling) dat op een afstand van twaalf miljard lichtjaar van ons af staat. Als we daarvan iets zien met behulp van uiterst geavanceerde telescopen, zien we dus het ontstaan van iets op een tijd waarop onze aarde, zo'n vier tot vijf miljard jaar oud, nog niet bestond. En wij dus ook niet.
Ons "nu" is dus een betrekkelijk "nu". Ons "nu" van de binnenbouw is dus niet het "nu" van de buitenbouw.

We moeten er dus niet van uitgaan dat wat ongeloofwaardig is en niet strookt met ons "gezond verstand", in principe onwerkelijk is. Met wiskundige berekeningen, maar ook langs proefondervindelijke weg zijn natuurkundigen tot vaststellingen gekomen waar onze intuïtie niet aan wil.
Zo is er het verschijnsel van de vertraagde tijd.  Naarmate een voorwerp, een ruimtetoestel bijvoorbeeld, de snelheid van het licht nadert, (300 000 kilometer per seconde) verloopt de tijd trager. Dat wil zeggen dat de astronaut die met een duizelingwekkende vaart door de ruimte vliegt, zijn klok dan "op een bepaald moment" op bijvoorbeeld twee uur ziet staan, terwijl men dan in het ruimtecentrum op aarde de klok drie uur ziet aangeven.
Welke klok wijst dan de juiste tijd aan. "Juiste "is hier een betrekkelijk begrip want beide klokken wijzen de "juiste" tijd aan. Het verloop van de tijd namelijk is afhankelijk van de positie waarin de tijdwaarnemer zich bevindt. Het verschil wordt veroorzaakt door de hoge snelheid van het ene referentiekader, de ruimtecapsule, en de statische toestand van het andere referentiekader, het ruimtevaartcentrum.
Tijd is dus niet absoluut; alleen licht; dat is altijd in alle omstandigheden een proces van
300 000 kilometer per seconde.
Dat gegeven als van die vertraagde tijd gaat ons voorstellingsvermogen weer te boven. Stel - ik zeg: stel- stel dat je een ruimtetoestel zoudt kunnen bedenken dat even snel gaat als het licht. Wat dan? Dan staat de tijd stil. En vooruit maar: nu bedenk je een toestel dat nog sneller gaat dan het licht. Dan vertrek je morgen naar een bepaalde ster en kom je eergisteren aan…

8  EEN PAS OP DE PLAATS

Het wordt tijd dat ik vooral na de laatste twee hoofdstukken met beide voeten op de aarde kom. Dat ik een beetje "normaal" ga doen.
Tenzij we aannemen dat we met onze geboorte in een grote bedrieglijke droom zijn terecht gekomen, moeten we ervan uitgaan dat we met onze door de evolutie (of door de Schepper) geschonken verstandelijke vermogens buiten ons een zekere objectieve werkelijkheid kunnen bereiken. In het bewustzijn van elk individu moet de waargenomen werkelijkheid zoveel overeenkomst hebben dat er door de afzonderljke waarnemers over te communiceren valt. Dat ieder dus de boom op het plein en het geluid van de luidende klok op dezelfde wijze in de ruimte situeert. Dat de boom en de klok buiten ons om bestaan zoals we denken dat ze bestaan, dat het heelal er nog is ook als ons "ik" dood is.
En…natuurlijk ga ook ik dood.
En natuurlijk moet ik mijn medemensen niet terugbrengen tot een soort droombeelden. Stel dat het zo was, in wat voor een fundamentele eenzaamheid zou ik mij dan bevinden. Bovendien het is helemaal niet aardig van mij om jullie tot wat hersenschimmen terug te brengen. Sorry dus!
En er moet voorts een wetenschap als psychologie mogelijk zijn doordat de ladenkast van iedere menselijke geest min of meer van dezelfde bouw en inrichting is.
Ook moeten we ervan uitgaan dat er, hoe moeilijk traceerbaar ook, zo iets als een vrije wil is waardoor we in bepaalde gevallen aansprakelijk kunnen worden gesteld voor onze daden. 
We moeten in de tijdruimtedimensie van ons heelal in een voor ieder bespreekbaar habitat verkeren. We moeten wetenschappelijk kunnen communiceren over het ontstaan van dat heelal, over het ontstaan van  het leven, over het ontstaan van de mens, op hoeveel onoplosbare problemen we ook stuiten.
Maar ook als we ervan uitgaan dat we, kijkend in de wereld om ons heen, beschikken over een kennisorgaan dat in ieder van onze van dezelfde betrouwbaaheid is, dan nog blijft de vraag: in hoeverre die werkelijkheid slechts een aan onze zintuigen en ons abstraherend verstand geadapteerde werkelijkheid is.

En het is ook goed dat we na gedwaald te hebben in de mysteries van de buitenbouw, steeds weer kunnen terugkeren naar onze binnenbouw waar altijd weer een ploeg staat waaraan de hand dient te worden geslagen. De mens mag dan wel niet leven van brood alleen, maar dat wil niet zeggen dat hij het zaaien en maaien van het graan moet verwaarlozen.
Waar het mij om gaat is, dat we na een reis door de buitenbouw rondom ons wezen in ons achterhoofd weten dat we niet zo maar "nee" moeten zeggen tegen wat tegen ons "gezond" verstand indruist, want wij kennen geen grenzen van in wat ons aan buitenbouw omgeeft.
En in die buitenbouw gaan we verder.


9 VANWAAR KOMEN WIJ?

Eerst was je er niet. Miljarden jaren was je er niet. Je hebt de neiging om te zeggen: wat lang! Dat komt omdat je een  bepaalde voorstelling hebt van dat "niet-zijn", namelijk een vorm van "zijn". Op een goede dag ben je er. Je herinnert je later iets wat je beschouwt als je eerste herinnering. Bij mij was dat een blikken doos om havermout in te doen. Daarop stond een tekening van een jongetje dat aan een bullebak van een kerel om een bord pap vroeg.
 Je gleed ongemerkt in je bewustzijn, zoals je ongemerkt in slaap valt.

 Het zelfbewustzijn dat zo goed als volledig samenvalt met mijn ultieme "ik" heeft geen buitenbouw in zoverre dat het niet als object bekeken kan worden. Ik probeerde dat ineen vorig hoofdstuk met de volgende vergeljking uit te leggen: mijn "kijken" is in mij hetgene dat - in tegenstelling tot de rest van mijn lichamelijkheid -  zelf niet meer als object van mijn kijken bekeken kan worden.
Maar je kunt zeggen: er dient zich wél weer een buitenbouw aan als ik mij bezin op mijn herkomst en eindbestemming. Uit wat ben ik voortgekomen? Waar ga ik uiteindelijk naar toe? Ook dan kom ik weer terecht in een doolhof van raadsels.
Mijn oorsprong vindt plaats op mikroniveau en makroniveau.

10 ONZE HERKOMST OP MIKRONIVEAU

Ik ben voort gekomen uit een daad van mijn ouders.
Mijn hele "ik"?
We stuiten ook hier weer op iets onbegrijpelijks.
Ja, dat we met een biologische omschrijving van ons ontstaan, dus het verhaal van chromosomen, zaadcellen en eicellen, voor een groot deel zijn bepaald, begrijpen we…of menen we te begrijpen. We hebben de gelaatstrekken en lichaamsbouw van onze ouders en wellicht ook bepaalde karaktertrekken, al dan niet afhankelijk van fysieke factoren.
Maar heeft de mens ook een onvervreemdbare identiteit?
Is hij slechts een optelsom van het genetisch materiaal van zijn ouders? Of een produkt van het milieu waarin hij als kind is terecht gekomen? Kijk ik in de ogen - de spiegel van de ziel - van mijn kinderen, dan weerspiegelt zich daar meer in dan wat Riny en ik langs biologische weg en als opvoeders in hun ontstaan en groei hebben bijgedragen.
Tegelijkertijd is het ontstaan van al die persoonlijkheden zo dom afhankelijk geweest van het toeval. Niet alleen op het moment dat een (willekeurige!) zaadcel en eicel zich verenigden en óf tweemaal een x-chromosoom óf één x- en één y-chromosoom even uitmaakten of er later een meisje of een jongen geboren werd, - voor de identiteit van de persoon niet onbelangrijk dacht ik zo -, en ook niet door de omstandigheid dat die persoon in een bepaald milieu en in een bepaalde cultuurperiode ter wereld kwam, maar ook als je het verhaal in ogenschouw neemt over die twee mensen die elkaar doorgaans toevallig op een goede dag ontmoetten en een tijd later de ouders van die nieuwe mens werden.
Mijn vader woonde als jongen in Budel. Hij zag graag films en daar er in zijn dorp geen bioscoop was, ging hij naar Hamont in België. Maar één keer ging hij naar het verder gelegen Weert omdat dat daar een cowboyfilm draaide. Dat genre had zijn voorkeur. Daar deed voor de eerste keer een Weerter meisje als "placeuze" dienst. Het werd bij mijn vader liefde op het eerste gezicht Mijn vader bood haar schroomvalllig in de pauze een reep chocola aan en zo was het "gekomen".
Stel nu dat die cowboyfilm toen niet gedraaid had, of dat er een draaide in Hamont of dat er helemaal geen cowboyfilm draaide in die streek of dat mijn vader op zijn fiets op weg naar Weert naar zijn film een lekke band had gekregen of dat mijn moeder niet op die bewuste zondag in dienst trad als placeuze maar een week later of  als ze er wél op het juiste moment was geweest, geen choloca lustte…
Dan was ik er met mijn bewustzijn niet geweest! Dan hadden heelal, zon en maan en de mensen-om-mij-heen voor niks bestaan. Net als bij die kunstenaar op TV.
Dan was mijn vader misschien met een Belgische getrouwd en dan waren er één of meer volkomen andere identiteiten op de wereld gekomen met voor een deel andere genen en dus andere persoonlijkheden. Maar die zijn er nu niet.Die hebben geen kans gekregen omdat er toevallig op een bepaalde zondag een cowboyfilm in Weert draaide, omdat mijn vader op weg naar de bioscoop geen lekke band kreeg en…enzovoorts.
Maar als mijn vader mijn moeder nou níet ontmoet had, was ik dan evengoed in het bestaan gekomen? Was ik in het diepst van mijn wezen een soort ziel die al bestond buiten deze dimensie en al zwevend wachtte om te rechter tijd af te dalen in een bepaald chromosomenstelsel?
Ik moet hier vaak aan denken als ik kijk naar Demi, mijn kleinkind. Dan denk ik: lief kind, je zit daar argeloos te kleuren in je prentenboek, maar weet je: als mijn vader indertijd die zondagmiddag niet naar de bioscoop van Weert maar naar die van Hamont was gegaan, dan…
En ik denk dan soms ook aan al mijn "stille kinderen" die ongeboren hebben moeten blijven omdat ik door toeval niet dat andere meisje ontmoet heb met wie ik zou getrouwd had kunnen zijn als ik Riny niet had ontmoet…  En dan denk ik aan het verhaal van een oud-tante van mij, die vertelde dat mijn grootvader mijn grootmoeder ontmoette op een moment dat op een zandpad een wiel van haar kruiwagen was afgelopen en hij haar hielp het euvel te herstellen en dat toen…Demi en die kei op dat zanderige pad!…Ik hou maar op met denken….

Zo vormt ook het mysterie rondom onze geboorte een buitenbouw die ons leven van alledag in een onwezenlijk licht plaatst.

Maar… er is behalve onze geboorte in gezinsverband ook nog een geboorte in kosmisch verband.



11 ONZE HERKOMST OP MAKRONIVEAU

Je hoort wel eens: we zijn gemaakt van sterrenstof, dat te rechter tijd neerdwarrelde op de ook uit sterrenstof bestaande planeet aarde. Allochtoner kun je toch niet zijn!

In zekere zin is de mens ook voortgekomen uit de baarmoeder van het heelal.
Uitgaande van de uitdijing van het heelal komen wetenschappers, globaal genomen,  tot de conclusie dat het begin van die beweging één punt moet zijn geweest waarin op de een of andere manier alle energie, alle materie-in-potentie van het hele heelal van nu en in de verre toekomst opgesloten moest liggen, samengebald en zich daarna ontladend in een soort explosie van ongekende kracht, de big bang, de oerknal.
Mijn zelfbewustzijn  is het eindpunt van een ontwikkeling die is begonnen met die oerknal vele miljoenen jaren geleden.
Een begin vol raadselen. Ook voor de wetenschappers. Zoveel vragen zijn er nog. Bijvoorbeeld: hoe komt het dat de uitdijing na verloop van tijd niet stopt, maar altijd maar doorgaat, ja zelfs versnelt?  Welke geheimzinige kracht zit daar achter? Komt er nadien toch een inkrimping? Is de oerknal het absolute begin van het heelal of ging er een situatie, een instortende ster bijvoorbeeld, aan vooraf?
En als je je die eerste momenten van het ontstaan van het heelal voorstelt als: je had een immense ruimte en daarin vond op een bepaald moment een explosie plaats…dan denk je in binnenbouwse termen, want aan die oerknal gingen geen ruimte en tijd vooraf. En ook een ontploffing was niet mogelijk want daar heb je ook ruimte voor nodig
Het ontstaan van het heelal was de overgang van "niets" naar "iets". Niets! Dus geen materie, geen ruimte, geen tijd. En ga je ervan uit dat er vóór die oerknal tóch iets was, dan verplaats je het probleem, want was dan dáárvoor? En ga je uit van de stelling dat het heelal eeuwig is, welnu, dat kan je je ook niet voorstellen.
Maar goed, de gangbare theorie - of beter een der gangbare theorieën of nog beter: een der gangbare hypothesen -  is dus die van de "oerknal". Vijftien miljard jaar geleden zou een singulariteit tot "explosie" zijn gekomen. Een singulariteit is iets wat je kunt vergelijken met de x in de wiskunde. Iets wat uiterst massief was en veel kleiner dan een atoom. Het had te maken mét…of misschien beter gezegd: resulteerde in pure energie.
Hoe? Men staat in dezen nog aan het begin van onderzoek. Toch zijn er theorieën over het verloop van de ontstaansgeschiedenis van de materie zoals wij die nu ervaren.
Na een paar seconden  zou er er sprake zijn geweest van een intens hete straling - men spreekt van 10000 miljoen graden - en subatomaire deeltjes. Hoe men tot dat getal komt, vraag dat maar aan bètaknobbels! Als na enkele minuten de temperatuur is gezakt tot zo'n 10000 miljoen graden - aldus berekeningen van geleerden -  beginnen de subatomaire deeltjes protonen en neutronen te vormen. Dat zijn de elementen in de atoomkernen. Je hebt dan nog geen atomen. De atoomkernen-met-de-elektronen-erom-heen zouden 300000 jaar later zijn ontstaan. Het betreft waterstof- en heluimatomen. Miljoenen en miljoenen atomen klonteren zo'n miljard jaar later her en der samen. Zulke opeenhopingen  gaan steeds meer massa vormen en dan trekt de zwaartekracht ervan steeds meer nog-losse atomen aan. En zo beginnen zich sterren en sterrenstelsels te vormen en otnstaan door de druk in de loop der tijden steeds zwaardere scheikundige elementen.

Het vervolg van de levensloop van een ster is afhankelijk van zijn grootte. De ster kan exploderen of imploderen, naargelang het verschil tussen een door kernreacties veroorzaakte buitenwaartse druk en de zwaartekracht van die ster.

Er zijn nog meer scenario's denkbaar van wat zich in dat heelal afspeelde en afspeelt, maar het belangrijkste van die ontwikkeling vanaf de "oerknal" tot aan mijn zichzelf bewuste "ik" is de ontwikkeling van een bepaalde kleine ster, een van de vele miljarden: de zon. Die ster zal opbranden. 
In de zon vindt een ononderbroken kernfusie plaats, een onder een immense druk samensmelten van atoomkernen. Ze genereert op die manier al zo'n vijf miljard jaar energie in de vorm van licht en hitte en heeft nog zo'n vijf miljard jaar te gaan. Aan het einde van dat verhaal zullen alle planeten met alles erop en eraan zijn verzengd want in zijn stervenssfase zal de zon uitdijen, voordat zij verwordt tot een hoop sintels.

Toen de zon ontstond door een opeenhoping van sterrenstof, afkomstig van sterren die voorheen geéxplodeerd waren, bleef een deel van die sterrenstof rondom de zon cirkelen. In die sterrenstof vonden weer concentraties plaats, ditmaal met minder zwaartekracht dan bij de vorming van sterren; dat werden de planeten.

En zo ontstond ongeveer vier en een half miljard jaren geleden onze aarde, een planeetje, van energie voorzien door de zon, die, hoewel groter dan alle planeten tezamen, niet meer is dan een sterretje tussen die miljarden andere sterren in het melkwegstelsel, dat melkwegstelsel, op zijn beurt weer een van de vele sterrenstelsels in het heelal. Wegens de dan nog te hoge temperaturen en het ontbreken van water is er dan op die planeet geen leven mogelijk. Dat zou zo'n drie en een half miljard jaar geleden zijn ontstaan..

En dan begint een belangrijke fase in de geschiedenis van de aarde en voorzover wij weten in die van ons zonnestelsel: namelijk het ontstaan van het organische in een anorganische omgeving. Dat organische dat zich begint te delen in individuen. Dat organische dat in tegenstelling tot het anorganische los wil komen van het aan-één-plaats-gebondene, ontstijgen wil aan het compacte en statische, dat in het kader-van-materie omhoog wil, opzij, verder. Dat wil uitbreken uit zijn fysiekie begrenzing: de boom die met zijn takken almaar hoger reikt, het mos dat zich uitbreidt, het primitieve wezen levend in het water dat op het land wil, de vogel die zich verheft van de aardbodem.
En dan verschijnt de primaat die zich ontwikkelt tot een mensachtige met allerlei vertakkingen. En uit één daarvan komt, met op- en neergang, zo'n twee honderd duizend jaar later de homo sapiens voort die, zich bewustzijn van tijd en ruimte, met behulp van cijfers en woorden de dingen om hem heen ordent en benoemt en aldus de aarde die hij bewoont beheerst en exploiteert en vanuit zijn dagelijkse wereld zoekt naar de diepte van zijn bestaansgrond.

Leven is altijd verder, hoger, groter, dieper. En in de evolutie (of in het scheppingsproces) is het dier verder dan de boom en de mens verder dan het dier en de actieradius van het zich ontwikkelende levende wezen is telkens groter: van de savana in Afrika naar andere werelddelen en van de aarde t.z.t naar andere planeten.

 12 EEN TRANENDAL

Als ik over wreedheden hoor, wreedheden begaan aan mensen en dieren, aan de wijze waarop ten gevolge van natuurgeweld levende wezens aan hun einde komen, dan voel ik mij wel eens gevangen in mijn bestaan. Dan kan ik me voorstellen: als dat erger wordt en benauwende, dan wil ik er misschien uit. De dood als verlossing!
Maar soms ervaar je het volgende: je bevindt je als in een donkere onderwereldachtige droom en wordt dan wakker in een slaapkamer vol zomerlicht en je hoort blijde geluiden op straat. Is dat een voorland van iets?

We kunnen dat leven wel beschrijven als al maar verder en hoger maar we zullen tegelijkertijd steeds terugvallen, zoals de zalm die vruchteloos op de top van de waterval probeert te komen en het plantje dat zich eenmaal door het gesteemte gewurmd heeft, zal verdorren in de hitte van de zon. Altijd wacht de aftakeling, de dood. Met ziekten en handicaps neemt de dood al een wissel op de toekomst.
De aarde, de natuur is mooi. Hoe niet bezongen door kunstenaars! Maar de natuur is ook wreed! Mooi én bizar! : voedsel verschaffend, een ideale temperatuur scheppend, maar ook tsunami's en aardbevingen teweegbrengend. En er is het kwaad, door de mensen bedreven: oorlog, moord en geestelijk geweld, misbruik van dieren.

Leven wil blijven leven, maar het gaat dood. Leven: een fenomeen met een innerlijke en wezenlijke tegenstrijdigheid. Het zoveelste raadsel waarin wij zijn verweven. In zijn drang om te blijven leven moet het ene leven het andere doden: We doden mensen om ons territoruim veilig te stellen. We doden dieren om hun vlees te eten. We doden planten om aan onze nodige vitaminen te komen. We doden bacteriën en virussen om onze ziekten te bestrijden. Nee, dat is natuurlijk niet allemaal moreel verwerpelijk is, maar het gaat mij om het principe; een belangrijke uiting van leven is: doden. Doden om te leven. Leven van de dood.
Zo bezien lijkt W.F.Hermans gelijk te hebben als hij spreekt van een sadistisch universum.

13 DE ZIN VAN ONS BESTAAN

Dat was in mijn jeugd geen probleem. De eerste vraag van de katechismus was: Waartoe zijn wij op aarde? Antwoord: We zijn op aarde om God te dienen en in het hiernamaals gelukkig te zijn. Later in de jaren vijftig vond men dat kennnelijk toch wat al te middeleeuws, want toen  werd het antwoord: Om God te dien en hier en in het hiernamaals gelukkig te worden, hetgeen in een conference van Wim Sonneveld werd: Om nu en dan gelukkig te worden.
Och, waarom maken we het tegenwoordig allemaal zo moeilijk!

Heeft ons bestaan als we rekening houden met aftakeling en niet te ontlopen dood nog wel zin?
Op die vraag is - wat je zou kunnen noemen - een realistisch antwoord mogelijk.
Een antwoord, getuigend van een Socratische gelijkmoedigheid.
Het kan een verworven wijsheid zijn als we tot ons zelf kunnen zeggen: leer in de loop van je leven het leven te accepteren zoals het is. Dat het afbrokkelt. Zorg dat je aan het einde ervan kan zeggen: het is goed zo! Leer ziekte accepteren. Groot als mens ben je pas als je je situatie van sterfelijk wezen weet te accepteren. En probeer in het gedachtenkader daarvan wat van het leven te maken. Wees blij met de kleine dingen. Wees creatief met je medeverantwoordelijkheid voor anderen. Als geliefden je ontvallen treur dan, maar stel je dan de vraag: ga ik toch verder? Verder voor de anderen die me nodig hebben.

Maar…hoevelen komen tot die acceptatie?
Ik hoor er in ieder geval niet bij. Want al zou ik mijn eigen ziekten, ongemak, lijden en dood uiteindelijk kunnen accepteren dan kan ik nog geconfronteerd worden mét en lijden onder ziekte, aftakeling en dood van wie ik lief heb.
Nee, ik kom moeilijk tot die acceptatie.

14 MIJN PELGRIMAGE

En dus pelgrimeerde ik naar de buitenbouw van mijn wezen.
En daar dwalend kom ik ertoe mij te onthouden van apodictische uitpraken over herkomst en bestemming van de mens. Over bestaan en eventueel voortbestaan van de mens na de dood.
Het klinkt misschien wat paradoxaal, maar niet op grond van wat we weten mogen we in dezen uitspraken doen maar op grond van alles wat we niet weten. Niet op grond van wat we begrijpen, maar op grond van wat we niet begrijpen. Niet vanuit onze binnenbouw moeten we in dezen standpunten innemen, maar vanuit onze buitenbouw.
Maar tegelijk ben ik als Orpheus uit de Griekse mythologie die dacht met zijn kunst zijn geliefde Euridke weer in het land van de levenden te kunnen oproepen, maar haar definitief  verloor aan de dood, toen hij haar in zijn aardse gezichtskring wilde betrekken. Het is met huiver dat ik mij uit mijn binnenbouw losmaak en het pad op ga waarvan mythen in de literatuur mij waarschuwen dat ik het niet moet betreden.