O O R L O G S E L L E N D E

In sombere schuilkelders wachten duizenden mensen: dicht op een gepakt en rillend van doodsangst, de zolang verwachte vrijheid af.
De lucht hangt vol van 't machtige gegons der zware motoren, die plechtig en statig als dreunende kerkorgels 't invasielied uitjubelen, afgewisseld door de hoge klavierfluiten der duikelende jagers.
Kanonnen bulderen, mitrailleurs ratelen en 't zware afweergeschut dreunt hevig, terwijl over de daken der gegraven schuilkelders de logge tanks traag voortkruipen. 't Lijkt of plotseling alle duivelse machten op moederaarde zijn losgelaten, 't Is 'n geweerlicht van vuur tegen vuur, 't gehamer van staal op staal, en 't is alsof de aarde schokt in haar fundamenten. De aanblik is verschrikkelijk, maar uit die branding van woeste krachten moet de vrijheid te voorschijn komen!
Dan op een morgen is alles stil gevallen. Als 'n geslagen hond ben ik uit de vunzige schuilkelder gekropen. Heel in de verte hoorde ik opnieuw 't gebeuk van 't nietsontziende oorlogsgeweld en zag ik de vage gloed van het helse vuur. "Arme mensen" dacht ik.
Als een verlaten schildwacht sta ik boven op de opgeblazen dijk in de frisse herfstwind.
 Voor me ligt 't vruchtbare stuk Betuwe, terecht 't slagveld van Europa
Ik tuur in de verte langs de stompe en uitgebrande torens, die ik ken en laat mijn geest dwalen over de eens zo prachtig bloeiende dorpen en velden, die nu allen liggen verzonken in 'n poel van oorlogsellende. Waar eens de boer met z'n paarden de Betuwekleigrond beploegde en de helder witte en bleek-rode bloesem der ooftbomen den wandelaar vriendelijk toelachte....... spoelt nu in brede golven  't wrakke water binnen en maakt dat alles tot een dood  geraamte.
Als wraakgodinnen doemen resten van platgeschoten boerderijen en van sobere arbeidershuisjes voor me op.
Nog altijd gaat zwijgend de verre drom van trekkende vluchtelingen aan me voorbij. Groot en hol staan hun vermoeide ogen,ruw omkranst met zwarte strepen. 't vervallen bleke gezicht is als 'n silhouet op 'n zwart marmeren steen.
De ochtend schemering versnelt langzaam in 'n zachte nevelige dauw tot 'n sombere herfstmist, wat de streek nog triester tekent.
Achter de dijk ginds de hoek om en….        Weer zag ik de troosteloze ruïne; de zwarte geblakerde muren van ons huis voor me  oprijzen.
Ik let op de strakke gezichten van vader en van moeder, die  naast me gaan in de pletsende regen.
Plotseling staan we voor de puinhoop van ons huis en als slaapwandelaars in hun droom, staren ze versuft naar de verwrongen en verkoolde resten; die tussen de stenen omhoog steken ….
Maar de  vloek blijft uit,  ja alles blijft  uit!
Hoeveel ging  er op dit  ogenblik door hun gepijnigd hoofd?
De eenzaamheid  en de harde werkelijkheid van dit ogenblik  moet naar de strot  gegrepen hebben, want  ik zag de zenuwtrekkingen rond hun mond verroeren. Toen heb ik de strakke lijnen op Vaders gezicht diepte zien krijgen, die niet en nooit meer uit te wissen zijn, maar  de tranen bleven uit!
Ik had me voorgenomen om hen moed  in te  spreken, hen te  troosten, maar alle moed scheen ineens uit mij  weg te zijn.
Ik heb  alleen mijn handen op hun schouders gelegd en gebeden…….
Dat  alleen kan hen en mij redden!
Toen kwam het  grote ogenblik,  dat 50.000 mensen moesten evacueren.  't Weinige, wat  sommigen nog hadden overgehouden, moest  nu toch nog achtergelaten worden. 't Was dringende noodzaak, want steeds meer water kwam er uit de overlopende sloten, borrelende riolen en proestende putten stromen.
Over diepe rimpels van zorg en ouderdom,  op bloeiende mensen gezichten, tussen  't weerbarstige  haar en de heldere ogen van de jeugd lag de vloek van de tijd te   smoren.
Wij bleven echter met enkele jonge kerels in de ijselijke stilte van 't overstroomde    "manneneiland", deels  om hulp  te  bieden, deels om avontuur.
Maar God toen heb ik op 'n nacht  de oorlog gezien in al zijn beestachtigheid. Toen heb ik gehuild  als 'n kind, gehuild misschien zoals deze  kleinen erbarmelijk gekermd  hebben om hulp……..om Moeder…...voordat  ze stierven, alle drie!
Ze waren dicht bij elkaar gekropen, in de laatste ogenblikken hebben ze elkaar nog moed ingesproken…. Hun bloed vloeide ineen op de grond.
Ik heb hun stijve dode lichaampjes opgebeurd en bij elkaar gelegd in mijn wagen.
Even nog heb ik rondgekeken in dit trieste huis, waarin de oorlog zoveel leed bracht.  
En om de moeder bij haar thuiskomst 'n wrede herinnering te besparen heb ik het speeltuig, 'n hobbelpaard en 'n pop op de zolder gegooid.
Mijn last heb ik weggereden. Wie dit beeld gezien had van die drie kleine peuters, bijeengekropen in 'n hoek, doodbloedend en zo bang voor die eenzaamheid.... wie dit gezien had,  had zijn hoofd ontbloot toen ik met  de bokkenwagen van mijn geëvacueerde broertje langs ging, had gerouwd als ik.
Maar ook wij moesten tenslotte toch weg. 't Werd niemandsland, maar toch was en bleef  "t manneneiland" voor de Betuwnaren, die overal verspreid in spanning de tijd afwachten, dat zij weer naar huis konden gaan, om in hun eelte handen de stug geworden klei te kneden.
Zo hebben duizenden mensen in den vreemde gewacht en gebeden in een verlaten achterkamertje…. Terwijl in de voorkamer het getik van zilveren lepeltjes in kostbare porseleinen kopjes als gouden rinkelmuziek werd opgenomen in de jagende radiomuziek, die de bevrijdingsroes uitjubelde. Zo waren er mensen en ze zijn er nog, die zich weinig bekreunen over het lot van hun zo zwaar getroffen medemens.
Maar God, geef vertrouwen en troost aan zo menige Betuwnaar, dan willen en kunnen ze zelf, de hand weer aan de ploeg slaan, om uit het puin 'n nieuwe startbaan op te bouwen.
Jan Zwartkruis.

Noot Red.
Voor dit opstel werd door Mhr. v.d. Voort die het schriftelijk en mondeling examen Ned. afnam 'n acht gegeven.

Uit de Ravensbos 1946 2de jaargang no. 2